ds. Stephan de Jong: ‘Pelgrim naast God’ n.a.v. Psalm 121

*  Alle-Dag-Kerk, 31 augustus 2016  *

Voorganger: ds. Stephan de Jong, Bussum

‘Pelgrim naast God’ n.a.v. Psalm 121

Allan was 100 jaar geworden. Het personeel van het bejaardenhuis vond dat aanleiding voor een feestje. Allan vond het echter tijd om uit het raam van het bejaardenhuis te klimmen. Zo begint de roman ‘De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween’ van de Zweedse auteur Jonas Jonasson. Allan wilde weg uit de wereld van al te goede bedoelingen en weer vrij zijn.
Soms is het ook voor ons tijd om uit het raam te klimmen. Dat kan een verhuizing zijn, een wisseling van baan. Of je kinderen gaan het huis uit. Soms moet je weg uit je dichtgeslibde innerlijk, waarin je geestelijk vast zat, en een innerlijk raam openzetten.
De honderdjarige Allan bracht het er goed af. Het komische verhaal vertelt hoe hij dat deed dankzij nuchterheid, humor en veel geluk. Maar ook met hulp. Een mens heeft soms hulp nodig op zijn of haar weg, vooral als het gaat om nieuwe wegen. Dan komt de vraag in mij op: vanwaar zal mijn hulp komen?

Die vraag klinkt ook in Psalm 121. Deze psalm is een oud pelgrimslied. De joden maakten bij religieuze feesten pelgrimsreizen naar Jeruzalem, naar de tempel daar. Ze gingen uit hun veilige dorp of stadje in de kustvlakte op weg. De onveilige weg: bandieten, wilde dieren, kou, ongelukken, het kon je allemaal overkomen. Desondanks stapten ze uit het raam, uit het raamwerk van hun veilige leventje.
‘Vanwaar zal mijn hulp komen? Het antwoord luidt: ‘Mijn hulp komt van de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft.’ Niet heel verrassend voor de gemiddelde Bijbellezer. Verrassend is wel dat in de eerste persoon wordt geantwoord: ‘Mijn hulp komt van de Heer…’ terwijl het vervolg van de psalm in de tweede persoon gaat: ‘Hij zal jouw voet niet laten wankelen …’ Vanwaar deze persoonswisseling?
Het lijkt erop dat de dichter begint niet met een algemene waarheid maar een eigen doorleefde ervaring. Ik heb ervaren dat God met mij is… Dat raakt ons hart meer dan een algemene uitspraak, meer dan de brave herhaling van een aangeleerd geloofsinzicht.

Sieuwert Bruins Slot was tijdens de oorlog actief in het verzet. Later werd hij politicus en hoofdredacteur van het dagblad Trouw. In zijn memoires (1972) vertelt hij over zijn leven en geloof. Veel van zijn gereformeerde zekerheden waren weggevallen in de confrontatie met de moderne wetenschap en de grote vragen van het leven. Hij schrijft echter: ‘Toch blijf ik mij een gelovige noemen, want ik meen één ding wel te weten: dat ik word vastgehouden. En dat is geen dogma maar een ervaring.’ Bruins Slot is niet aan het eind van zijn geloof gekomen, wel aan het eind van zijn vroegere geloofsvoorstelling van een God die van alles doet. Hij heeft veel verloren maar is ook tot de kern gekomen die tot het diepst van zijn vezels was doorgedrongen: God als een nabijheid die je niet loslaat.

‘Mijn hulp komt van de Heer…’ Psalm 121 vervolgt met de belijdenis dat die Heer sluimert noch slaapt. Kan God dan slapen? In de geschiedenis van het geloof hebben heel wat mensen dat zo beleefd. In de Psalmen lees je dat soms ook: ‘Word wakker, Heer, waarom slaapt u? Ontwaak! Verstoot ons niet voor eeuwig.’ Teresa van Calcutta, de non die zo veel goeds deed, kende dat. Ze spreekt in haar dagboeken over de lange jaren waarin ze haar geloof kwijt was. Dit gemis bracht haar tot de belofte: Als ik ooit een heilige word, dan wil ik er zeker één worden van de duisternis – ik zal voortdurend afwezig zijn in de hemel om licht te ontsteken voor hen die op aarde in duisternis verkeren.
Maar volgens Psalm 121 is God aanwezig en wakker. De tekst spreekt van de Heer die hulp brengt, een wachter is en een behoeder. De psalm klinkt als een zegen: een zegen die zelfs verder gaat dan de aardse reis en over de rand van het leven heen stroomt: ‘De Heer waakt over je leven … en houdt de wacht over je gaan en je komen van nu tot in eeuwigheid.’ Maar wat zegt dat? Betekent dit dat God de valkuilen op de weg zal dichten? Nee. Dat Hij de vijanden een kopje kleiner zal maken? Nee. Dat Hij hand in hand met je naar de toekomst zal gaan? Ja, dat wel. ‘De Heer is de schaduw aan je rechterhand’. De middeleeuwse schrijfster Hildegard von Bingen schreef daarover: ‘Vertrouwen wijst de weg.’ Waar ik ook ga, nooit ben ik van God los.

‘t Was in mijn eerste gemeente. Ik kwam bij een ouder echtpaar; bij hem was net een ongeneeslijke ziekte geconstateerd. Ik vroeg of hij niet bang was. Ze vertelden over oorlog: hun huis bij een verkeerd verlopen bomaanval van de geallieerden half verwoest. Later, toen de geallieerden landden om de brug bij Arnhem te ontzetten, werd het hele dorp geëvacueerd en moesten ze met een handkar en twee kinderen weg, niemand wist waarheen. Bij terugkeer was uit de ruïne van hun huis alles geroofd. ‘Toch hebben we nooit echt gewanhoopt. We geloofden dat de Heer met ons meeging.’ Ik zei: ‘Maar nu gaat het om een ongeneeslijke ziekte, dat is toch een heel andere situatie?’ ‘Ja, dit is weer anders, maar weet u dominee, die Heer is volgens mij niet anders, die is nog altijd dezelfde. En als ik straks de grens van leven en dood moet passeren, ook dan loopt Hij, zo geloof ik, met mij mee.’

Amen