ds. Teus Prins (Aalsmeer): “Is het dit jaar werkelijk ‘afwachten met Kerst’?” n.a.v. Psalm 24: 9, 10 [Bijbel in Gewone Taal]

* Alle-Dag-Kerk Amsterdam, Middagpauzedienst 2 december 2020 *

Voorganger: ds. Teus Prins (Aalsmeer)
Meditatie, thema: Is het dit jaar werkelijk ‘afwachten met Kerst’? n.a.v. Psalm 24: 9, 10 [Bijbel in Gewone Taal]

Gemeente van onze Heer Jezus Christus!

Nog maar ruim drie weken en dan is het Kerst. Dit betekent dat we nu leven in de tijd van Ad­vent: wat de tijd is van voorbereiding op het feest, waarop gevierd wordt dat God in een kind naar de wereld kwam, om mensen te troosten en te bevrijden. Dit jaar lijkt in deze Adventstijd de belangrijkste vraag te zijn met hoevéél mensen je het Kerst­feest straks zou mogen vieren.

Waarbij het dan natuurlijk gaat over de vraag of en met wie je kunt samenkomen. We moeten het allemaal nog maar afwachten met de Kerst’, wordt dan gezegd.
Nu is dat wel degelijk een belangrijk punt, want wat missen we elkaar toch dezer dagen, en wat zien we daarom dan ook uit naar de tijd dat dit op een ongedwongen manier weer mogelijk zal zijn.

En verder biedt de komst van God naar de we­reld inderdaad alle reden om dit te vieren, maar wat blijkt: ….. ook dit jaar zijn er mensen die aangeven dat ze tegen (wat dan wel genoemd wordt) ‘de feestdagen’ òpzien ….. Sterker nog, er zijn er die zeggen ronduit blij te zijn wanneer het allemaal weer voorbij is.
Was het maar weer januari’ kun je dan ho­ren verzuchten. Het bracht die mensen namelijk nooit wat ze ervan verwàcht hadden: er kwam géén vrede op aarde.
Of – dichterbij – geen vrede met de buren, of met de familie. En vooral ook géén einde aan die éénzaamheid… of de vervulling van het diepe verlangen naar vriendschap, en liefde.

Misschien zijn deze dagen daarom wel bij uitstek de dagen om die woorden van Psalm 24 tot ons te laten doordringen:

Poorten van de tempel, ga ópen.
Ga wijd open, prachtige deuren!
De grote koning wil binnenkomen.
Wie ìs dan die grote koning?
Het is de machtige Heer.
Hij is die grote Koning!

Ja, het is over déze verwachting dat het gaat in de tijd van Advent. Over dat wij mensen ons hoofd durven òp­heffen: opheffen uit de sleur, uit de teleur­stelling van het leven.
Want de gedachte dat de komst van God naar de aarde geen reden tot blijdschap zou zijn, ligt immers niet aan God, maar aan onszèlf!
Wat kan komen, doordat we ons hart en onze ziel soms zo gepantserd hebben.

Binnenin me’ schreef Etty Hillesum tijdens de Tweede Wereldoorlog in haar dagboek:

‘Binnenin me zit een heel diepe put. En dáárin zit God.
Sòms kan ik erbij. Maar vaker liggen er stenen en gruis voor die put,dan is God begraven.
Dan moet hij weer òpgegraven worden.’

Ja, zó zou je het inderdaad kunnen zeggen: Dat Advent wil zeggen… graven naar de bron in ons diepste wezen, graven naar daar waar Gòd woont.
Dat pas wanneer je echt diep genóeg gegra­ven hebt, je werkelijk vrij en zonder ballast voor de komst van God open staat.

In zijn boek ‘Grote Woorden’ heeft Martien Brinkman het over zo’n ervaring.
Hij moest in zijn jeugdjaren eens een betrek­kelijk onschuldige operatie ondergaan.
Ik moest’, zo vertelt hij, ‘wèl onder narcose worden gebracht en zou tien dagen in het ziekenhuis verblijven. In het gezelschap van mijn vader reisde ik een dag van tevoren met de bus naar het ziekenhuis. Daar aangekomen, gaf ik na het uitstappen meteen over in de berm. Blijkbaar was ik erg gespannen. Na lunchtijd nam mijn vader afscheid en hij wenste me sterkte.
Op de zaal van zes bedden werd ik opgevangen door een ontzettend aardige zuster. Het was dezelfde die me de volgende morgen naar de operatiekamer bracht. Ze reed m’n bed tot vlak voor de deur van die kamer en nam afscheid. Ze wenste me sterkte.
Daar lag ik toen in mijn eentje, voor een grote deur met het bordje ‘operatiekamer’ en een rood verlicht ‘bezet’-signaal. Op dat moment voelde ik me door iedereen verlaten. M’n vader was weggegaan en nu ging ook deze zuster weg.
Ik besefte ineens dat, als het er ècht op aan­komt in het leven, je er alléén voor staat. Een mens is dan alleen … mèt zijn God, zo ont­dekte ik toen. Ik voelde me in de steek gelaten, maar ook bevrijd. Los van alles en iedereen. Onthecht én verbonden. Ik ervoer toen een rust die me sindsdien op spannende momenten in m’n leven nog meerdere malen ten deel is gevallen. Ik noem het mijn godservaringen.
Dat is voor mij een ervaring van onthechting, van rust en van overgave.’

De evangelist Lucas laat zijn verhalen stééds beginnen met En het geschiedde….’
Het geschíedde: dat God zich mèngt in onze mensengeschiedenis.
Het geschíedde: dat God zich bekommert om onze mensenwereld waarin – naast zeker ook goede – helaas zoveel kwade dingen gebeuren.

Toen èn nu: en daarom is het dan ook niet het lieve Kerstkind waarnaar we uitkijken, maar viert de wereld met het Kerstfeest de komst van… de Messias!

Wàt zijn komst naar de aarde betreft, kunnen we in de Bijbel lezen dat daarover toentertijd óók al de nodige vragen waren, er ook tóen al gezegd werd: ‘Ja, maar hoe zal dit dan allemaal gebéuren?’ Zelfs zijn ouders, Maria en Jozef stelden deze vraag….
Maar wat blijkt: juist waar daarover dan de nodige twijfel is, sterker nog: daarover er dan ronduit òngeloof is, juist dáár worden er voor­bereidingen voor de komst van het Kerstkind getroffen.
Waarbij de engel namens God dan telkens weer zegt ‘Wees niet bàng….

Je hóeft het allemaal niet zèlf te doen: iets van Gods kràcht zal daarbij mèt je zijn, iets van zijn Geest zal ook òver jou komen.

Gods boodschapper uit de hemel vraagt ook aan ons om daar voor òpen te staan. Sta ervoor open dat het kind van Kerst straks echt binnen kan komen.

Gods vraag aan ons in deze tijd van voorbe­reiding op Kerst is dan ook: Wil je mij gebòren laten worden? Bij jullie, bij jou, in je hàrt?
Wil je, mèt àlle onzekerheid en twijfel die daarbij hoort me dan koesteren, en groot­brengen?’

Wanneer wij op deze vraag ‘ja’ durven zeg­gen, zal het ècht Kerstfeest kunnen worden, vooral omdat dan in-en-uit u, jou en mij de Redder van de wereld geboren wordt.

Amen.

Plaats een reactie