ds. Teus Prins (Aalsmeer): ‘Onderweg naar morgen, een reis die duurt een leven lang’, n.a.v. Numeri 6: 22 t/m 26 en 1 Petrus 3: 8 t/m 11 uit de Bijbel in Gewone Taal

  *  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 11 april 2018  *

Voorganger: Ds Teus Prins (Aalsmeer)

Onderweg naar morgen, een reis die duurt een leven lang
n.a.v. Numeri 6: 22 t/m 26 en 1 Petrus 3: 8 t/m 11 uit de Bijbel in Gewone Taal

Gemeente van onze Heer Jezus Christus!
Die zojuist gelezen woorden uit het Bijbelboek Numeri zijn bij veel mensen bekend als de woorden van de zegen. Waarmee gewoonlijk de dienst in de kerk wordt afgesloten.

Het zijn woorden die voor veel mensen belangrijk zijn. Woorden waar (ondanks dat, terwijl de zegen wordt uitgesproken, sommigen al bezig zijn hun jas aan te doen) veel mensen enorm aan hechten.

Er wordt wel eens gezegd dat, wanneer het de preek weer eens ‘pet’ was, je in ieder geval dan nog ‘de zegen’ had meegekregen.

Ja, de zegen kan een krachtig woord zijn. Kan een mens diep raken.

Maar wat ìs de zegen eigenlijk?
In het Eerste Testament komen de woorden ‘zegen’ en ‘zegenen’ zo’n vierhonderd keer voor.
…..Het kan daar betekenen dat wij Gòd zegenen,
     maar vaker is het daarin zo dat God òns zegent.
Verder betekent het ook wel dat mensen elkaar zegenen, in de naam van God.

Veel mensen horen in de zegen iets van Gods nabijheid klinken.
Wat ook wáár is: Gods nabijheid is inderdáád een belofte die door heel de Bijbel heen klinkt.

Zoals ik al zei, komt onze kerkelijke liturgische zegen aan het eind van de dienst dus uit het boek Numeri.
Daarin staat deze in het kader van de tocht van het Joodse volk, over de veertig jaar in de woestijn.
Dit betekent dus dat het woorden zijn die onderweg klinken. Want de woestijntocht is een leerschool.

“De Heer zei tegen Mozes: ‘Zeg tegen Aäron en zijn zonen dat zij de Israëlieten met deze woorden moeten zegenen’: … en dan volgt de zegenspreuk”.

Wanneer deze aanwijzingen eenmaal gegeven zijn, gaat de tocht weer verder.
Want men is immers nog niet op de bestemde plaats aangekomen. Men is nog onderweg.

Dit geeft aan de zegenspreuk dan ook een symbolische betekenis in die zin dat je inderdáád de zegen krijgt voor onderwèg, want is niet ieder mens op zijn of haar manier onderwèg in het leven?

Onderweg naar morgen, een reis die duurt een leven lang;
onderweg naar morgen, een onvoorspelbaar spel;
een weg bezaaid met lief en leed,
waarvan je nog zo weinig weet,
want de toekomst houdt zoveel voor jou verborgen;
en al droom je soms van gisteren –
je weet: je leeft vandaag, voortdurend
onderweg…… naar morgen.

Ja, de zegen betekent dan dat God daarin met je mee gaat.
In de wirwar van het leven, in de woestenij – letterlijk en figuurlijk.

Wat verder opvalt is dat de zegen een woord is dat God aan mènsen in de mond legt.

God zegt immers tegen Mozes: “Zeg tegen Aäron en zijn zonen: ‘De Heer zal jullie gelukkig maken en jullie beschermen. Hij zal bij jullie zijn en voor jullie zorgen. De Heer zal aan jullie denken en jullie vrede geven’.”
“Als zij mijn naam over het volk uitspreken, zal ik de Israëlieten zégenen.”

Dit betekent dat Gods zegen blijkbaar alleen maar werkt als hij bemiddeld wordt, overgedragen wordt door mènsen.
Wat de specifieke rol van Aäron en zijn zonen is, als ook, de bijzondere rol is van de priesters in het oude Israël.
Maar van lieverlee wordt – waarmee dan de aansporing ‘Wees een zegen’ in beeld komt – van lieverlee komt dan de bijzondere rol die ieder mens voor de ander kan betekenen in beeld:
Gods zegen die door mensen héén werkt en door mensen ook wordt vèrder gedragen.

De zegen als iets wat door de ene mens aan de ander áángezegd kan worden: de zegen als iets dat de één voor de ander wòrden kan.

We zijn immers allemaal altijd mens in onze relatie tot : je relatie tot je familie, maar ook tot je vrienden, ja in je relatie tot alle mensen om je heen. Met andere woorden: Gods zegen werkt alleen maar als hij gedééld wordt, als hij dóórgegeven wordt.

Zegen is dus, naast een woord voor onderweg ook een woord dat ingebed is in de gemeenschap waartoe je behoort.

Zegen moet dóórgegeven worden, anders bloedt de zegen dood.

Tegenwoordig heeft het er veel van weg dat je de naam van God het meest nog kunt horen louter in krachttermen en vloeken.
Vervloekingen – ‘verdoem mij’ in alle varianten – zijn helaas tot het alledaagse taalgebruik gaan behoren.

Blijkbaar zit het diep: de gedachte dat God verdoemt en vervloekt…
En dat je Zijn naam erbij moet halen, als je op je vinger slaat of kwaad wordt.

Terwijl het dus juist Gods diepste eigenschap is om te zegenen.

En ook wij hier daarom, omwille van de God die van zegen spreekt, ook geroepen zijn om tot zegen te zijn.

Wat we ook kúnnen: ‘tot een zegen zijn’.

Want worden we niet allemaal gestèrkt?

Door onze vreugde over de zegeningen waarmee wijzèlf – iedere dag weer – omringd èn gedragen worden?

Amen.

Plaats een reactie