ds. Teus Prins: ‘Nabij zijn’ n.a.v. Exodus 1: 8-20 en Matteüs 26: 17-20

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 20 januari 2016  *

Voorganger: ds. Teus Prins, Aalsmeer

‘Nabij zijn’ n.a.v. Exodus 1: 8-20 en Matteüs 26: 17-20

Gemeente van onze Heer Jezus Christus!
De media staan al maanden bol van informatie over vluchtelingen die ook richting ons land komen. Over mensen die op zoek zijn naar een plek op aarde waar je veilig leven kunt.
Wat bij die informatie opvalt is dat daarin soms het woord ‘Exodus’ gebruikt wordt: ‘er is een ware Exodus op gang gekomen’.

Exodus wil zeggen: uitgang, uitweg.
In Griekenland staat dit woord op de borden die in winkelcentrum, theater of parkeergarage de weg naar buiten aangeven.
Een trèffend woord dus, waarmee goed wordt aangeduid waar het in het gelijknamige Bijbelboek ook over gaat:
over hoe de Hebreeërs de uitgang van Egypte niet alleen vonden maar daar vervolgens ook snel door konden wegglippen…..
Waarbij die uitgang voor hen echter geen gewone maar veel meer een nooduitgang blijkt te zijn. Aangezien zij namelijk vluchten moeten: midden in de nacht moeten ze in allerijl hun biezen pakken.
Hiermee komen inderdaad dan de beelden voor ogen van ook in onze dagen vluchtende mensen. Die zich langs muren, slagbomen en rollen prikkeldraad ook een weg proberen te banen.
Wat is het dan wrang te moeten horen dat menigeen – ook in ons land – vindt dat deze mensen allemaal gelukzoekers zijn, terwijl zij, met vaak niet meer dan een plastic tas met daarin wat bezittingen echter op de vlucht zijn voor het ongeluk…..

Aan de vooravond van zijn lijden en sterven heeft Jezus het tijdens de viering van de Pesachmaaltijd traditiegetrouw over het oude verhaal van de Exodus uit Egypte. Waar alle ellende begon op het moment dat er een farao op de troon kwam wie de naam Jozef niets zei….

Met als gevolg dat hij de Hebreeërs niet als graag geziene gasten zag maar – integendeel – hen als ongewenste vreemdelingen beschouwde.
Vooral omdat dit – aanvankelijk onbeduidende – groepje (dat bij de intocht van Jacob in Egypte uit niet meer dan zo’n 70 personen bestond) inmiddels tot zo’n twee miljoen mensen bleek te zijn uitgegroeid…
Waardoor zij langzamerhand met zó velen waren geworden dat, in het geval er oorlog dreigde, zij dan wel eens de kant van Egypte’s vijand zouden kunnen kiezen…..
En het is dan ook deze angst van de farao die de Hebreeërs nekken zal; de angst van: we kennen elkaar niet goed en dus zijn we bang voor elkaar….
Altijd weer begint de ellende daar waar mensen niet wezenlijk in elkaar geïnteresseerd zijn, waar mensen niets van elkaar willen weten en daarom maar langs elkaar heen leven. Het liefst zoeken we in onze verbindingen met andere mensen naar overéénkomsten en niet te vergeten vooral ook naar gedeelde belangen.
Alleen daarom onderhouden we dan frequent contact. En hebben dan verder geen enkele behoefte aan enige inmenging van buitenaf.
Omdat we dan met onze ergernis, ja soms zelfs met onze afkeer geconfronteerd worden: van de ander die ons zo onbekend voorkomt en ja: onbekend maakt onbemind.
Terwijl de Bijbel echter duidelijk maakt dat het niet gaat om ons eigen ‘ik’ maar om de andere mens: de andere mens die mij aankijkt en die een beroep op mij doet.

Onlangs las ik daar een – naar mijn mening ontroerend – voorbeeld van: ‘In 1993 verlieten wij Iran’ vertelt een jonge vrouw.Ik was toen vier.
Eigenlijk wilden we via Turkije naar Oostenrijk vluchten, daar woonde mijn tante. Maar telkens wanneer we een grens over waren gesmokkeld, hoorde je de politiesirenes gillen.
Het was gevangenis in, gevangenis uit. Tot we twee maanden later in Nederland belandden.
In het asielzoekerscentrum – eerst een caravanpark in Nijeveen en daarna een kamer in Burgh-Haamstede – kregen we vrij snel een verblijfsvergunning, reizen en werken mocht mijn moeder even niet.

Na vijf maanden kregen we een huisje aangeboden in Moerkapelle, een dorpje in de Biblebelt, niet ver van Gouda. Mijn moeder was opgegroeid in de grote stad, in Teheran, ze was een socialist en geloofde niet in enige god. Kon ze hier wel aarden, vroeg ze zich af?
Ik vroeg in het asielzoekerscentrum iedere dag wanneer ik naar school mocht.
Wanneer we een huis zouden krijgen. Wanneer ik nieuwe vriendjes kon maken. Mijn moeder wilde zo snel mogelijk door. Maar ze vond het ook eng naar een onbekend dorp te verhuizen. Want wat zouden de nieuwe buren ons aandoen?
Ze nam zich voor om alleen in het donker over straat te gaan. De buren zouden anders vuilniszakken voor de deur gooien. Dacht ze.
Het liep anders.
De dag dat wij aankwamen in Moerkapelle stond Bianca, onze nieuwe overbuurvrouw, voor de deur van ons rijtjeshuis. Ze was 29 jaar oud, net als mijn moeder, en tilde mij en mijn broertje op.
In haar – van tv-series geleerde – Engels heette ze ons welkom.
Bianca vroeg of haar man Hans, die later thuis zou komen, misschien bij ons langs mocht komen met een fles wijn. Dronken wij wijn?
Mijn moeder zegt dat niemand in Nederland haar kinderen ooit zo liefdevol heeft opgetild.
Dit schreef mijn moeder in een brief die ze kort geleden, op Bianca’s verjaardag, aan haar voorlas.
Ze moest alleen zo erg huilen dat niemand haar kon verstaan. Een andere buurvrouw las het verder voor.

Bianca liet naar mijn idee aan dit uit Iran gevluchte gezin iets zien van een God die mensen vraagt hem na te volgen: in zijn liefde en zorg voor mensen.
Want God zag en ziet nog steeds de ellende van mensen. Hij hoorde en hoort nog steeds het schreeuwen om bevrijding.
En roept mensen daarom op om, aldus Jezus, ‘barmhartig te zijn zoals God de Vader barmhartig is’.

Wie het Eerste Testament op het woord ‘barmhartigheid’ nazoekt komt in de meeste gevallen dan uit op afgeleiden van het woord voor……baarmoeder.
De baarmoeder als de plek van waaruit het leven ontstaat.
Sifra en Pua hebben daar als geen ander verstand van.
Zij vertikken het dan ook om het bevel van de farao op te volgen en verzinnen een list. Om hun volk een Exodus te kunnen bieden.
Deze uitweg naar bevrijding is het grote verhaal van Israël geworden.
En werd – in het verlengde daarvan – ook het verhaal van Jezus’ optreden op aarde.
Dat God niet alleen aan de mensen toen maar ook aan alle mensen hier en nu in hun benauwdheid een nooduitgang biedt.
Het is dit ‘door God uit het angstland weggeleid worden’ dat de kern van het Pesachfeest is.
Tijdens de viering van dit feest vraagt één van Jezus’ volgelingen “Heer, waar wilt U, dat wij voorbereidingen treffen, zodat u het Pesachmaal kunt eten?”
Dan noemt Jezus de naam van iemand in Jeruzalem. De leerlingen moeten naar deze persoon toegaan en tegen hem zeggen: ‘Onze meester wil in uw huis de paasmaaltijd eten met zijn leerlingen. Hij zegt dat het einde van zijn leven nabij gekomen is.
Wanneer Jezus het woord ‘nabij’ gebruikt heeft dit altijd te maken met het koninkrijk in de hemel. In het Grieks betekent ons woord ‘nabij’: ‘tussen de handen zijn’. Oftewel: dat wat je pakken kunt. Zoals het brood dat Jezus die avond te midden van zijn leerlingen ‘in zijn handen’ neemt en breekt.
Zo ‘tussen de handen’ wil Jezus zijn want, met de woorden van de dichter Oosterhuis:

Zò werkt een God van liefde, en geen uur verflauwt zijn vuur.
Niet meer verstomt het woord dat Hij ons heeft gegeven.
Het neemt ons bij de hand, dat woord,
geduldig voert het ons uit angstland weg naar vrijheid.
Zo onbegaanbaar dwars die weg, zo hoog,
zo heet en droog – Laat mij niet moeten gaan
Als Gij niet zelf nabij zijt.

Amen

Plaats een reactie