ds. Teus Prins: ‘Stalken’ n.a.v. Lucas 18: 1-8

*  Alle-Dag-Kerk, 29 juli 2015  *

Voorganger: ds.Teus Prins, Aalsmeer

‘Stalken’ n.a.v. Lucas 18: 1-8

Gemeente van onze Heer Jezus Christus!
Anders dan Jezus zijn gelijkenissen gewoonlijk altijd begint, met woorden als: “Het is met het koninkrijk van de hemel als met een ….”, of: “Er was eens een rijke man, die…” hoorden we zojuist dat Jezus nu anders begint, aangezien hij vooràfgaand aan deze gelijkenis direct al de uitleg ervan meedeelt. Hij – direct al aan het begin – de clou ervan prijsgeeft. In zijn antwoord op die telkens weer herháálde vraag van de leerlingen aan hem: ‘Wanneer kòmt dat koninkrijk van God nu eigenlijk?’
De leerlingen waren namelijk van mening dat ze daar nou nog niet echt veel van hadden gezíen, anders dan af en toe een kleine glìmp ervan. Maar daarbij was het naar hun mening dan ook gebleven: nu zij, net zoals wij hier nog steeds in een wereld van onrecht en geweld leefden. Waarin van vrede en recht, van barmhartigheid en liefde helemaal geen sprake was.

Het is dan ook hierom dat Jezus niet alleen aan hen tóen maar ook ons nu daarom tróóst wil geven. Troost geven aan àlle wachtende, zuchtende mensen. Aan alle mensen die het nauwelijks nog vòl houden. En die door wat er in hun leven allemaal gebeurd is uiteindelijk maar òpgehouden zijn om daar vrágen over te stellen.

Wist u dat je de mensen in de wereld anders dan aan de hand van hun ras, of vanwege hun godsdienst en dergelijke aan de hand van dit punt helaas ook indelen kunt? Dat er tussen ons mensen nog een heel ànder punt van onderscheid blijkt te zijn? Een punt dat veel díeper gaat aangezien dit het punt is dat er in onze wereld mensen zijn die nog vragen hèbben met daarnaast dan die mensen die met vragen stellen maar zijn òpgehouden. Waartoe overigens wel degelijk ook de mensen horen die in Gòd geloven. Wat ook niet zo vreemd is omdat gevoelens van teleurstelling en opstandigheid jegens God namelijk niet uit òngeloof, maar veel meer uit gelóóf voort komen.
Zodat ons eigenlijke òngeluk dan ook hierin bestaat dat ons geloof in God ondermijnd wordt door wat ons allemaal overkòmt. Ja, en wat dàn te doen?

Nu, om déze vraag te beantwoorden vertelt Jezus deze gelijkenis. Over een weduwe en een onrechtvaardige rechter. Waarbij Hij dan ingaat op de angst van de mens, als ook op het verwijt dat God net zo als die nukkige, grillige en autoritaire rechter zou zijn.
Die tegenover zich een vasthoudende weduwe heeft die maar vráágt en vráágt. En blijft vragen. En daardoor, naast zichzelf, óók die rechter géén enkele rust gunt.
Vanwege die vasthoudendheid van de weduwe en de daardoor groeiende irritatie bij die rechter heeft dit verhaal – hoe verdrietig misschien ook- eigenlijk óók wel iets vermakelijks.

Wat die overactieve weduwe betreft moeten we trouwens niet 1,2,3 denken aan een of ander krom, oud vrouwtje. In die dagen trouwden de meisjes niet alleen op jonge leeftijd maar konden soms op relatief jonge leeftijd hun man helaas òòk al verliezen. Waardoor zo iemand dan een belangrijke bron van inkomsten verloor. Wat in dit concrete geval wel de reden van het geschil zal zijn geweest, aangezien deze weduwe – in plaats van naar een rechtbank – naar een enkelvoudige rechter gaat.
En het déze rechters waren die de geschillen over geldzaken behandelden.

Maar dan horen we dat, in plaats van dat de weduwe recht krijgt haar ònrecht aangedaan wordt. Doordat zij te maken heeft met een rechter die, naast dat hij niet om Gòd geeft ook niet om mènsen geeft. Misschien is hij wel zo’n rechter die alleen maar let op wíe er belet bij hem vraagt: of die persoon voor hem misschien ook wel een envelopje bij zich heeft…In de hoop het proces hierdoor te kunnen versnellen, maar ja, de weduwe hééft deze mogelijkheden niet. Zij heeft geen relaties die een goed woordje voor haar kunnen doen. Zij heeft geen goed gevulde portemonnee waaruit ze wat smeergeld kan pakken. Dit betekent echter niet dat ze zich er daarom maar bij neerlegt, o nee: ze blijft de rechter lastig vallen, wij zouden tegenwoordig zeggen dat ze hem stalkt.
Zowel de weduwe als de rechter blijken lange tijd voet bij stuk te houden: wat zij doet in haar hoop dat haar uiteindelijk recht verschaft zal worden en hij doet in het kader van zijn totále desinteresse voor haar èn voor de mensen in het algemeen. Maar uiteindelijk is het zo dat ééntje aan het langste eind trekt: aangezien de rechter zijn verzet na verloop van tijd blijkt op te geven.
Maar dit dan niet eens zozeer doordat hij de weduwe uiteindelijk dan toch recht verschaft als wel dat hij zijn verzet òpgeeft om maar van het gedonder af te zijn. Aangezien de vrouw hem letterlijk heeft uitgeput. Daarbij is hij verder ook nog eens bang voor haar geworden, de rechter denkt bij zichzelf: ‘Wàt een kattenkop: in de Griekse tekst staat er dan een boksterm, zo iets als een linkse directe: ‘Straks sta ik hier in de rechtszaal nog met een blauw oog…. ‘

Dan komt Jezus vervolgens met het punt dat hij wil maken. Dat hieruit bestaat dat, wanneer nu zo’n onrechtvaardige rechter -na lang aandringen- uiteindelijk tòch overstag blijkt te kunnen gaan, hoeveel te mèèr zal God, die zich dus wèl iets aantrekt van mensen, hoeveel te meer zal God dan niet tegemoet komen aan òns, wanneer wij dit nodig hebben?
“Nou, dat weet ik zo net nog niet”, zeggen veel mensen dan. “Ik vind God eigenlijk heel véél van die onrechtvaardige rechter weg hebben. Waaraan iemand die een moeilijk leven achter de rug heeft dan nog zal toevoegen: “Als ik straks boven mag komen dan heb ik met God nog wel een appeltje te schillen…..

Ja, dan IS het nogal wat, wat Jezus uiteindelijk ook tegen ons hier zegt: dat wij desondanks moeten blijven bidden, moeten blijven doorgaan met….inderdaad onze vrágen stellen. Jullie moeten zonder ophouden blijven bidden, zegt Hij. Jullie moeten, ondanks dat je God zoekt maar in je teleurstelling desondanks meent Hem niet te kùnnen vinden, toch niet verslappen, maar dóórzetten. Wat Jezus met deze opmerking over dat volhardend bidden naar mijn idee duidelijk wil maken is dat bidden in de eerste plaats niet iets is dat je louter met gesloten ogen en gevouwen handen zou moeten doen. Maar dat we dit ook kunnen doen achter het fornuis, of in de gang van het ziekenhuis, dat je dit kunt doen langs het strand of, waarom niet, in de kroeg.
Jezus zegt met zoveel woorden dat het gebed zo breed is als de wereld zelf.
Met zijn opmerking over dat doorgaan, over dat volharden appelleert Jezus trouwens aan een oude bedelaarswijsheid: wanneer je maar lang genoeg doorgaat krijg je uiteindelijk wat je wilt.

Betekent dit dan dat wij moeten geloven dat Jezus zegt dat alle verzoeken van mensen door God worden ingewilligd? Dat zou dan haaks staan op onze bittere ervaring dat het ook ànders kan gaan….
Wat in ieder geval vast staat is dat Jezus ons leren wil om alles aan God toe te vertrouwen. Wij met ieder verzoek bij Hem kunnen komen: omdat Hij de hoogste instantie is voor àl onze wensen en behoeften. “Zeg àlles tegen God wat je wilt, houdt niets achter voor hem, Hij zal altijd een luisterend oor voor je hebben”. Dit heeft welbeschouwd iets therapeutisch in zich: dat, simpelweg doordat je iets uitspreekt, er voor jou dan iets veràndert. Oftewel dat, wanneer je nu eerst maar iemand tegenover je hebt gevonden die je onvoorwaardelijk vertrouwt, dat daarna je eigen wensen met de hulp van Gods Geest dan wel duidelijk worden. Gods Geest helpt ons een houding van vertrouwen aan te nemen waardoor wij de wereld vervolgens vanuit de goedheid die wij van God ondervinden, gaan bezien. Dat je aan God vraagt: laat dan mijn hart u toebehoren, en laat mij door de wereld gaan, met open ogen, open oren, om al uw tekens te verstaan. Dan is het aardse leven goed: omdat de hemel mij begroet.

Maar, hoe mooi ook: hiermee zijn we er nog niet.
Aangezien het verhaal eindigt met een bange vraag van God aan òns: of wij – die altijd zo druk zijn met onszelf – eigenlijk wel aan Hèm denken. Want Jezus stelt aan het einde van het verhaal namelijk de vraag of HIJ wel bij iemand gehoor zal vinden: ‘Zal de zoon des mensen het geloof vinden op aarde?
Met andere woorden: kùnnen mensen ‘t geloof wel volhouden? Kunnen mensen in deze wereld wel blijven vertrouwen? Of zullen ze verflauwen in hun hoop op een nieuwe, rechtvaardige wereld?
We hebben immers allemáál wel iets wat we verdragen moeten, allemaal wel iets waarin we volharden moeten. En dat kost moeite, dat lukt je soms enkel en alleen maar in de hoop dat het binnenkort beter zal gaan. Misschien moet je wel een strijd leveren om het leven vol te kunnen houden. Lever je een gevecht tegen de pijn van een verlies, moet je volharden in een lichaam dat ziek is zonder uitzicht op beter worden. Wanneer kòmt God nu, wordt er dan gevraagd….
Dan is het belangrijk ons te realiseren dat we in onze volharding niet alléén hoeven te staan.
Maar dat er mensen om je heen zijn die bij je blijven, die je perspectief kunnen bieden.
Mensen die niet alleen hun hart, hun ziel en hun verstand op dat koninkrijk van God hebben ingesteld maar daarnaar ook concreet handelen. Want wij moeten namelijk niet alleen het àntwoord op die vraag van Jezus geven maar tegelijkertijd zelf dat antwoord ook zijn. Jezus verwacht van ons dat we zijn woorden én zijn daden uitdragen. Niet doof blijven dus: voor het hartverscheurende huilen van onze medemens want doen we dit wèl dan zijn we als die onrechtvaardige rechter.

Tot slot moeten we ook zelf niet aarzelen om met ons eigen verdriet naar God te gaan.
Want nògmaals: als zelfs die onrechtvaardige rechter uiteindelijk luistert naar die weduwe, zou God dan doof blijven voor ons, die Hij zijn kinderen noemt?
Amen

Plaats een reactie