ds. Wim Scheltens: “Zullen we maar gaan vissen?”, n.a.v. Johannes 21: 1-14

*  Alle-Dag-Kerk, 8 april 2015  *

Voorganger: ds. Wim J.W. Scheltens, Lunteren

“Zullen we maar gaan vissen?” n.a.v. Johannes 21: 1-14

Het is een prachtig feest: het Paasfeest. De vreselijke kruisdood is het laatste niet, wat we van Jezus merken. Op de derde dag wekt God Hem op en zo beleeft Jezus zijn opstanding! En Jezus verschijnt ook aan zijn leerlingen. Maar in het begin is het nog onwennig. De sfeer is vol twijfel en aarzeling. Kunt u dat begrijpen? Zeg nu zelf, hoe geef je zoiets ongewoons als de opstanding uit de dood een plek in je eigen leven? Dat is niet zo gemakkelijk. Het makkelijkst is om eraan voorbij te gaan. Om het weg te zetten als iets dat niet reëel is, of niet echt gebeurd is. Maar houd je dan jezelf niet een beetje van de domme?

Het is goed om eerst te ontdekken, dat de leerlingen van Jezus na de kruisiging van Jezus als een angstig hoopje mens bij elkaar zitten, bang om ook zèlf zo’n gruwelijke kruisdood te ondergaan. En dan, een paar weken later, dan zie je ze frank en vrij in Jeruzalem vertellen over Jezus en de opstanding – met nog steeds hetzelfde gevaar voor eigen leven. Wat is er in die tussentijd veranderd?
Iets onvoorstelbaars! De sleutel voor die verandering ligt precies in het gebeuren, dat Jezus opstaat uit de dood en omgaat met zijn leerlingen. ‘Jezus verschijnt’ heet dat in de Bijbel. Dat betekent dat het verhaal concreet wordt, dat het klopt. Dat Jezus de leerlingen ontmoet heeft en hen Zelf heeft bemoedigd.
Nu is het natuurlijk de vraag van vandaag, of jij die bemoediging ook zelf kunt ervaren. Hoe zeg je dat tegenwoordig? Of je er blij van kunt worden!

Laten we dan nog eens kijken, hoe Johannes dat beschrijft, dat blij worden van de leerlingen. Ze zijn niet blij, maar ze worden wel blij!
Petrus zet de toon: ik ga vissen. Hij pakt zijn oude beroep weer op, alsof er niets gebeurd is. Je kunt ook zeggen: na een indrukwekkende onderbreking wordt Petrus herintreder in zijn oude beroep. De hele groep zegt: wij gaan met je mee.

Dat is de sfeer: laten we maar gaan vissen, want wat moeten we anders… En dan is het opvallend, hoe ze hoog in het Noorden toch in aanraking blijven met de wonderlijke geschiedenis in Jeruzalem. Hun vertrouwde plek op het Meer van Galilea weekt hen toch niet los van hun roeping. Juist daar, bij Kapernaüm aan de Noordzijde van het Meer van Galilea, daar heeft Jezus hen geroepen. Vissers zijn jullie en blijven jullie, maar nu als vissers van mensen, had Jezus hen laten weten. En nu zitten ze weer op een boot…
Ja, en dan komt Jezus om hen persoonlijk te herinneren aan hun roeping. Dat doet Hij met een uitnodiging: “Kom, eet wat!”. Zo laat Jezus merken, dat Hij niet los van hen is komen te staan na de opstanding.
Vorig jaar mocht ik huisavondmaal vieren bij een oudere dame in de laatste fase van haar aardse leven. Ze hoort dat het avondmaal is in de kerk en vraagt of dat ook thuis kan. En zo zijn we bij elkaar: zij met haar man en kinderen. Ik lees de tekst uit Johannes 21 en sta even stil bij die prachtige uitnodiging “Kom, eet wat!”. Aan de houding van de discipelen merk je, dat ze met de zaak verlegen zijn en dat ze geen greep op de dingen hebben en dat die man die hen aanspreekt vanaf de oever, dat dit Jezus is, maar hoe kan dit nou allemaal? ‘Geen greep op de dingen’, zeg ik, ‘dat is ook voor u, want u weet ook niet wat boven uw hoofd hangt en hoe lang dit gaat duren.’ Ze knikt, dat herkent ze. En hoe lost Jezus die onrust op? Door te zeggen: ‘Kom, eet wat!’. Drie woorden, waarmee de spanning verdwijnt, want samen eten is: je gast aan tafel weten, je thuis voelen bij de Heer! Drie woorden: ‘Kom, eet wat!’. Bij het avondmaal voel je: ‘eet wat’ slaat op het brood dat wijst op het lichaam van Jezus – en de wijn wijst op het bloed van Jezus tot volkomen verzoening van al onze zonden. En zo weet je weer van het Koninkrijk, dat je gast aan tafel mag zijn bij de Heer, hoe je leven ook loopt.

“Kom, eet wat!” Dat is geen kritiek van Jezus. Geen boze reactie, zo van: wat moeten jullie op die boot? Nee, helemaal geen korzelige sfeer. Ach, die gedachte van ‘Zullen we maar gaan vissen’ is geen klap in het gezicht van Jezus! Ach nee, zo liggen de verhoudingen immers niet. ‘Kom, eet wat!’ – dat is een verademing, vindt u niet? Als je Jezus leert kennen, weet je dat wel: “Leert van Mij”, zegt Hij immers, “want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart” (Matt. 11:29). Als Jezus zegt: “Leert van Mij”, kunnen we dat ook maar beter doen in onze tijd met kortaangebonden reacties van ‘ik pik het niet meer!’.

Die vriendelijke en rustgevende uitnodiging “Kom, eet wat” brengt trouwens de leerlingen wel in verwarring: hoe komt Hij opeens hier zo terecht?; hoe weet Hij dat we hier zijn op het water?; hoe heeft Hij dat voor elkaar gekregen om vis en brood klaar te hebben staan? Allemaal vragen.
Maar deze verwarring en onzekerheid dienen enkel en alleen om het weggetje te plaveien naar de enige vraag die in Gods Koninkrijk echt ter zake is – dat is de vraag van Jezus: “Heb je Mij waarlijk lief?”. En zo komt de roeping weer helemaal in beeld: “hoed mijn schapen!”. En of je nu een beetje zus bent of een beetje zo, een beetje grof gebouwd of een beetje fijner gebouwd, een beetje meer gelovig of een beetje minder gelovig – alles heeft zo zijn achtergrond.
Die vraag van Jezus “Heb je Mij lief?”, die breekt door alle achtergronden heen! En zo word je gevoelig voor waar het Jezus om gaat. Hij is ook jouw Goede Herder, reken maar! En dan ontdek je gaandeweg, dat waar het Jezus om gaat alles met jouw vrede en heil te maken heeft voor tijd en eeuwigheid. Want wat over Jezus gaat, dat gaat ook over jou: Jezus leeft en wij met Hem!
En eigenlijk zou je daar best blij van mogen worden.

Amen.

Plaats een reactie