pastor Joost Verhoef (Amsterdam): ‘Allerheiligen/Allerzielen’ n.a.v. Openbaring 21: 1-5a

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 1 november 2017  *

Voorganger: pastor Joost Verhoef (Amsterdam)

Allerheiligen/Allerzielen’ n.a.v. Openbaring 21: 1-5a

Op dagen als deze, Allerheiligen en Allerzielen, klinken woorden anders, voelen gebaren anders. Oog in oog met de dood vangen we andere tonen op, andere signalen. We staan meer open voor wat gezegd wordt, maar voelen ons tegelijk kwetsbaar tot op het bot.

Dat kan soms heel verkeerd uitpakken: iemand zegt iets en het valt onbedoeld rauw op je dak; iemand doet iets en je kunt het niet verdragen; je hoort muziek en die snijdt dwars door je verwonde ziel. Zoals we hier samen zijn, delen we allemaal wel deze ervaringen.

Maar er zijn ook woorden, gebaren, muziek die balsem zijn voor onze ziel. En wie verlangt daar niet naar, juist op een dag als vandaag. Laat er muziek klinken, zo roept deze dag uit zichzelf, muziek, die ons troost. Laten we in godsnaam bij elkaar komen, opdat we niet vergeten. En wie spreekt er een woord, dat ons richting geeft, een weg wijst uit onze verwarring en ons verdriet? Nieuwe woorden. Oude woorden.

Er klinken oude woorden. Woorden uit het ongerijmde, wie verstaat ze, wie vertaalt ze? Misschien dragen we ze al een leven lang met ons mee, zijn ze ongemerkt onder het stof terecht gekomen, stoffige oude woorden. Kunnen die onze ziel zalven?

‘De Heer is mijn Herder, het zal mij nooit aan iets ontbreken… Al moet ik het duister in van de dood, ik ben niet angstig, U bent toch bij me, onder uw hoede durf ik het aan. ’Staande in dat duister kun je soms voelen hoe de geest het stof van deze woorden afblaast: pffff. Hier word ik rechtstreeks aangesproken, recht in mijn ziel. Zo direct dat ik ervan huiver. Kan ik dat aan, dat vertrouwen? Durf ik het aan mijn angst te laten varen? En als in een eeuwenoud scenario, gebeurt het dan, soms…: alsof het blazen van de geest vraagt om een antwoord, klinkt op het pffff  van de geest een pffff  van de mens – niet zijn laatste adem; nee, eerder zijn eerste adem: een wegblazen van de angst, een overgave aan een mysterie dat we slechts met de grootst mogelijke behoedzaamheid kunnen duiden. De naam van God valt, al weten we daarmee nog niet bij benadering wie we noemen met die naam. Een heilig moment.

Of: “Heilige Maria, Moeder van God, bidt voor ons zondaars, nu en in het uur van onze dood…” Woorden uit het Wees Gegroet, die ik, zoals vele anderen, geleerd heb van mijn moeder, zoals zij ze van haar moeder geleerd heeft. O zo vaak uitgesproken, gedachteloos, half ingeslikt, nauwelijks beseffend wat je staat te zeggen. Maar wanneer je je moeder, je man, je vader, je vrouw die woorden hoort mompelen op haar, zijn sterfbed – of, zoals mij onlangs gebeurde, wanneer die stem van je moeder plotseling wegvalt – klinken ze onverwacht nieuw: alsof je ze voor het eerst hoort. Een heilig moment.

In dat heilige moment noemen we in één adem namen: namen van alle mensen van wie we houden, zielsveel houden; die we missen, meer dan we ons ooit hadden kunnen voorstellen; die we los moeten laten (maar wie vertelt ons hoe?), met wie we spreken, meestal als niemand meeluistert; die in ons bloed zitten, meer dan ons soms lief is; die we aanroepen, zo dichtbij zijn ze nog; of aan wie we denken, met de glimlach van een vervagende herinnering; op wie we kwaad zijn, ja – dat ook, tegen beter weten in; die we soms willen verzwijgen, omdat er zoveel duister was; en die we eerbiedigen, wie zouden wij zijn zonder hen…?

En in dat heilige moment, in diezelfde adem, fluisteren we, of roepen hardop: Behoed hem, behoed haar, behoed ons, kwetsbare zielen als wij zijn. Ontsteek een licht dat onze duisternis wegvaagt. Maak toch waar, o God, dat u onze tranen afwist en een feestmaal aanricht. Maak ons nieuw: geen dood meer, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn; en doe ons leven in uw eeuwigheid.

En laat liefde de brug slaan tussen tijd en eeuwigheid, tussen ons en onze lieve doden. Liefde. Uw liefde. Hun liefde. Onze liefde.

Amen

Plaats een reactie