pastor Joost Verhoef (Amsterdam): “Dichtbij het mysterie van ons geloof”, n.a.v. Johannes 6: 24-25

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 8 augustus 2018  *
Pastor Joost Verhoef (Amsterdam)

Dichtbij het mysterie van ons geloof“, n.a.v. Johannes 6: 24-25

 

Mijn eerste begrafenis was de uitvaart van een nog jonge man. Johan heette hij. Hij was eind jaren 70 van de Antillen naar Amsterdam gekomen, had hier als homo ruimte om te leven gevonden, maar deed dat in een tijd die niet gevaarlijker had kunnen zijn. Hij kreeg Aids. Werd ziek, zieker, ziekst. En zo ontmoette ik hem in het OLVG, begin 1989, ik liep er stage. Aids was in dit Amsterdamse binnenstadsziekenhuis een grote zorg en leidde vaak ook tot dramatische situaties. Ik hoef u dat waarschijnlijk niet uit te leggen. Zo kort na de grote Aids-conferentie hier in Amsterdam, hebben we het allemaal misschien ook weer meer op ons netvlies, hoe bedreigend en verschrikkelijk het was.

Johan was één van de slachtoffers van het virus, medicatie was er niet, hij ging snel achteruit. Hij vroeg om een pastor, en zo kwam ik bij hem. We maakten kennis. Hij vertelde over zijn leven hier in Amsterdam. En ook over de warme wereld waarin hij was opgegroeid. Warm, maar soms ook verstikkend. Hij had een katholieke opvoeding gehad. Gedoopt, eerste communie, gevormd. Hij bewaarde er goede herinneringen aan, maar de wereld was er te klein om er zijn vleugels uit te kunnen slaan. Hij moest er weg. Hij wilde daarom graag naar Nederland. Hier was het beloofde land. Hier kon hij echt léven. Dat hoopte hij, nee, dat wist hij wel zeker.

Als kind had hij op godsdienstles gehoord over het manna, het brood dat uit de hemel neerdaalde om Israël in de woestijn te voeden. En de juf had erover verteld als was het manna net zo bijzonder als sneeuw op Curaçao. Hij droomde er als jongetje al van om zich te wentelen in echte Hollandse sneeuw. Want in Nederland sneeuwde het ieder jaar, wist hij van de kerstkaarten. En toen kwam hij hier, jaren later, en in zijn eerste winter in Amsterdam zag hij sneeuw over de stad vallen en zag hij de stad op zijn allermooist, een witte deken over de daken en de grachten. Hij kon zich niet inhouden en rolde vol verrukking door de sneeuw, gadegeslagen door verbaasde vrienden. En hij wist: hier ben ik thuis. Het deerde hem niet, dat er van de sneeuw de volgende dag niet meer over was dan bruine pap. De sneeuw was zijn manna, de stad zijn Mokum, zijn Jeruzalem, dit land zijn beloofde land.

En nu waren we amper tien jaar verder, en was zijn droom weggesmolten, weggeschroeid. Hij had geen spijt. Hij klaagde niet. Geen gemor, zoals bij de Israëlieten (‘Och waren we maar in Egypte gebleven, daar was er in elk geval te eten!’). Maar dramatisch was het natuurlijk wel. Daarom zochten we samen naar wat hij nodig had, nòg nodig had in die laatste fase van zijn leven. Hij vertelde over zijn eerste communie. Wat een feest was dat geweest. Zijn moeder had hem zijn mooiste kleren aangedaan. Zijn zus was het jaar ervoor een bruidje geweest bij haar eerste communie, en hij voelde zich op zijn beurt een bruidegom – de bruidegom die hij nooit zou worden. En hij herinnerde zich hoe bijzonder het voor hem was voor de eerste keer de communie te ontvangen. Dichtbij Jezus, dichtbij het mysterie van ons leven. En ook al hield hij nu nauwelijks nog voedsel binnen, en was hij broodmager geworden, dat was wat hij wilde: de communie. En zo geschiedde. Ik bracht hem de communie. Zijn zus was erbij. Zijn laatste communie. Voedsel voor zijn laatste reis. Brood des levens. En we baden samen. Hij had me eerder al geleerd, dat dat eenvoudig mocht zijn. Een Onze Vader, een Wees Gegroet, die oude woorden wist hij nog. Hij mompelde ze mee. Een paar dagen later stierf hij, zijn zus aan zijn zijde. En die vroeg me voor te gaan bij zijn uitvaart. Mijn eerste uitvaart.

Beste mensen, misschien weet u het, dat er tijdens een katholieke eucharistieviering na de consecratie (‘dit brood, dit is mijn lichaam… deze wijn, mijn bloed’) wordt gezegd: ‘verkondigen we het mysterie van ons geloof’. Als gelovigen antwoorden we dan: ‘Als wij dan eten van dit brood en drinken uit deze beker, verkondigen wij de dood des Heren, totdat Hij komt.’

Voor mij geldt: zelden ben ik dichter bij dat mysterie geweest dan zittend bij Johan, sprekend over zijn leven, zijn hoop, zijn levensvreugde, zijn trots, zijn verdriet, zijn los moeten laten, zijn afgebroken toekomst, zijn eenvoudige geloof, zijn overgave, samen biddend om Gods nabijheid.

En altijd als ik over het manna hoor, denk ik aan hem.

En dat doe ik ook, als ik Amsterdam maagdelijk besneeuwd zie, wat is de stad dan mooi.

En als ik bid met mensen, weet ik sinds Johan (hij was een goede leermeester): het hoeft niet ingewikkeld, de woorden die ons zijn overgegeven, die we leerden als kind, zijn al rijk en sprekend genoeg.

En wat beter dan ons dagelijks brood, om het hart van ons leven en geloven mee uit te drukken.
Jezus zelf deed het ons voor.
Hij werd zo zelf voedsel voor onderweg, voor onze levensweg.
Ten einde toe.

Totdat hij komt.

Amen

 

Plaats een reactie