pastor Joost Verhoef (Amsterdam): ‘En ze zeiden niemand iets, want ze waren bang…,’ n.a.v. Marcus 16: 1-8

*  Alle-Dag-Kerk Amsterdam, Middagpauzedienst 7 april 2021  *

Voorganger: Pastor Joost Verhoef (Amsterdam)

Thema: En ze zeiden niemand iets, want ze waren bang…, n.a.v. Marcus 16: 1-8

Wie zou zich na deze woorden geroepen voelen in U zij de glorie uit te barsten? U? Net als veel mensen in deze coronadagen voelt het eerder als ‘zo zwaar en droevig als we zijn’, zoals zojuist wel werd gezongen. Gejuich en gejubel, nu even niet. Licht dat ons aanstoot in de morgen : waar dan?

Ik vertel u graag over drie ontmoetingen met twee Maria’s en een Anna Maria (ik kan het ook niet helpen, zo heten ze echt) op Goede Vrijdag in het OLVG hier in deze stad. Goede Vrijdag 2021.

Ik loop onze ziekenhuiskapel in en zie daar een van onze vrijwilligers, Maria, aan het werk met de bloemen in de kapel. De rode rozen van Goede Vrijdag staan bij het houten kruis, het prachtige paasstuk staat al klaar, volop in knop. We zouden dit jaar voor de twintigste keer Pasen vieren in de kapel, nu doen de bloemen het voor en namens ons. Terwijl ze bezig is, vertelt ze wat haar bezighoudt. ‘Het graf,’ zegt ze, ‘zijn we zelf. De steen voor het graf is de steen voor ons hart. Hoe krijgen we die van zijn plaats,’ vraagt ze zich af. U hoort vast de zwaarte die zij voelde. Maar door er zo over te praten, werd het toch wat lichter. Alsof we samen de steen al wat wegrolden, en er een sprankje licht binnenkwam.

Een uur later, zo tegen tweeën is er toevallig bezoek. Ik ken haar vaag, als ik haar mondkapje wegdenk. Ze vraagt me: ‘Kunt u met mij in de kapel een Wees Gegroet bidden. Ik kwam hier altijd met mijn moeder met Pasen,’ zei ze. ‘En ze vond het al­tijd zo fijn. Ik zie de piano staan, daar hield ze zo ontzettend van! En toen ging mijn broer dood en kon mijn moeder niet bij zijn uitvaart zijn, en toen heb ik de hele uit­vaartdienst hier in de kapel aan mijn moeder voorgelezen. Toen ze zelf een half jaar later dood was, kwam ik hier alleen met Pasen, en weet u, iemand zag hoe moeilijk ik het had, en hij legde toen zijn hand op mijn schouder. Dat deed me zo goed. En nu kan ik het voor deze Pasen maar niet vinden en loop ik te dwalen en voelde ik dat ik de rust en stilte van de kapel nodig had. En omdat mijn moeder altijd zoveel van Maria hield, ik heet zelf ook Maria, wilde ik graag het Wees Gegroet bidden. Dat kan ik natuurlijk ook alleen, maar als u het niet heel gek vindt, zou ik het graag met u bidden. Wilt u dat doen? Mijn moeder is op een hele nare manier gestorven, dat ga ik u nu allemaal niet vertellen, maar ik hoop toch zo dat ze nu bij God is.’

We bidden samen, eerst een Wees Gegroet, dan voor haar zelf en voor haar moeder en broer en haar vriend (die, zo fluistert ze me biddend toe, zichzelf het leven heeft benomen), dat ze samen Pasen mogen vieren. Bij God mogen zijn. In het Licht mogen zijn. En dat het voor haar Pasen mag worden, iedere dag een stukje meer. En ik wens haar een zalig Pasen.

‘Een goede Pasen, dat wordt het nu voor ons, voor u en voor mij,’ zegt ze. ‘Wat ben ik blij dat ik u gevraagd heb, toen ik de deur zag openstaan. Het wordt een goede Pasen,’ roept ze bijna uit.

Als ik later die middag een patiënt op de afdeling bezoek, gebeurt het opnieuw, alleen niet meer bijna. Ze roept uitbundig: ‘Zoalig Pasen! Zoalig Pasen!’ Ja, zegt ze, dat riep pastoor Pronk van de Bonifatiuskerk vroeger altijd.

We moeten er samen hard om lachen. Terwijl wat ze me ervoor vertelt niet zo zoalig is. Dat ze ziek is, ze neemt het bijna voor lief. Ze zal het verder wel zien. Meer zit ze met de optelsom van haar leven, zeker de laatste 25 jaar. Steeds meer opgesloten in eenzaamheid. De mensen om haar heen vielen weg. Ze verloor ze niet zozeer aan de dood, maar aan het leven, zegt ze. En sinds corona werd het er ook niet gezelliger op. Het meest nog mist ze de teken- en schilderlessen. Haar leraar zit nu op Kreta, zij moet zich nu zelf aan de slag houden. Maar het steuntje van de meester, die haar creatief boven zichzelf uittilde, is weg. Ze laat wat werk van haarzelf zien. Ik val voor een mannengezicht. Prachtige kleuren, maar vooral sprekende ogen. Ogen die zeggen: zíe mij. Ik laat haar zien welke me zo aanspreekt, en ze zegt: dat is mijn liefste werk. En we kijken elkaar aan.

Als haar buurman wordt binnengereden, blijkt hij me te kennen van vroeger in de kapel. Het opent een deurtje bij haar. ‘Ik ben katholiek opgevoed,’ zegt ze. ‘Ik heet Anna Maria, dan weet je het wel. O, u bent ook katholiek…?’ Als we afscheid nemen zeg ik: ‘Alvast een zalig Pasen.’ En dan roept ze net als haar oude pastoor van meer dan 60 jaar geleden: ‘Zoalig Pasen!’ En we nemen lachend afscheid. ‘Zoalig Pasen!’ roept ze me na tot op de gang.

En zo werd Goede Vrijdag in het ziekenhuis toch een beetje Pasen. En ik dacht: ‘Zou het zo gegaan zijn, bij die vrouwen die Jezus zoeken in zijn graf? Eerst zo bang dat ze niemand iets zeiden. Maar toch. De steen voor hun hart werd wellicht al een beetje weggeduwd, iets van licht sijpelde binnen.’ En één lichtstraaltje is genoeg om de duisternis te verdringen. Door te vertellen wordt het licht, en over dat licht wil je doorvertellen. Kennelijk is dat toen gebeurd. Hoe zouden wij er anders van weten? Van mens tot mens, van generatie op generatie is het doorverteld. Tot op de dag van vandaag. Tot op deze woensdag van Pasen.

Ik wens u daarom, mede namens de twee Maria’s en Anna Maria, van harte een licht, een goed, ja een zoalig Pasen!

»«

Plaats een reactie