pastor Joost Verhoef: ‘Verwonder je….’ n.a.v. Johannes 15: 9-17

*  Alle-Dag-Kerk, 6 mei 2015  *

Voorganger: pastor Joost Verhoef, Amsterdam

‘Verwonder je….’ n.a.v. Johannes 15: 9-17

‘Ik heb mijn leven hard gewerkt’, vertelt een vader aan het ziekbed van zijn 30-jarige zoon. ‘Het ging me voor de wind. Goed bedrijf, mooi huis in Spanje. Drie prachtige kinderen. Misschien ben ik wel teveel gaan geloven dat het me allemaal toekwam, dat ik er recht op had. Dat het ons goed moest gaan, want ik had er toch zo hard voor gewerkt. Ik heb een zus die, vind ik, niet veel van haar leven gebakken heeft. Ik heb altijd wat op haar neergekeken. Zo van: doe eens wat met je leven. Maar nu we het moeilijk hebben, staat ze er wel. Met een paar bloemetjes uit haar eigen tuin. Kijk daar staan ze. En ik, ik zie mijn zoon liggen en ik voel me hulpelozer dan ooit. Ik sta met al mijn geld en mijn huis in Spanje stomweg met lege handen. En dat maakt me kwaad, het maakt me razend. En ik vraag me af: waar heb ik dit aan verdiend?’

Het gebeurt blijkbaar zonder dat we er erg in hebben. Dat we na een tijdje dit bestaan van ons als een recht ervaren. Dat je je niet meer verwondert, maar dat je je recht komt opeisen. O.k., vandaag de dag eerder bij de dokter dan bij God: maak me beter, u moet me helpen. En wat als de dokter het ook niet weet? En wat als ons zoveelste kaarsje niet heeft opgeleverd wat we vroegen? Mijn moeder (dat mag ik op deze bijzondere plek wel verklappen) had vroeger de gewoonte een kaarsje op te steken in de Begijnhofkapel hier aan de overzijde. Dan voegde ze Maria nog wel eens toe: ik heb nu geen geld, maar ik kom wel betalen als het geholpen heeft. Alleen de stralende glimlach waarmee ze dat vertelde verraadde dat ze zich zo op een speelse manier onttrok aan het spel van offeren-maar-dan-ook-beloond-willen-worden. Ze heeft daar later eens over gezegd: het is niet door het (al dan niet betaalde) kaarsje dat ik recht heb op een gunst van hogerhand. Het is door dat kaarsje dat ik weer zie in welk licht ik het leven wil zien: dat je veel moet overgeven – hoezeer je de dingen ook wilt afdwingen.

Wat is dit leven van ons nu eigenlijk: als u het mij vraagt is ons leven een wonderlijk geschenk, vol onverwacht mooie en ontroerende momenten; een symfonie van schoonheid, van geuren en klanken en vertedering. En ja…, soms ook weet je er geen raad mee. Dan doet het pijn en het ontneemt je de adem. Dan sluipt de angst ons bestaan binnen. En toch: het is ons gegeven. We hebben er niet om gevraagd. We hebben het al helemaal niet verdiend – ik zou niet weten hoe of waarmee. We hebben er niets voor gedaan. Het was er! Het is er! Wij zijn er!

Johannes beschrijft dat in zijn evangelie in de zin: ‘niet wij hebben God liefgehad, maar Hij óns.’ Eerst was er de liefde die ons voortbracht. Wij zijn ontwaakt in een omgeving die ons beminde. Dat is de oorsprong. Of zoals het evangelie zegt: ‘Niet jullie hebben mij uitgekozen maar ik jullie.’ Eerst was God er die ons in dit leven riep, die ons bij onze naam riep.

Gaandeweg zijn we soms dat wonder misschien teveel gaan aanvoelen als een vanzelfsprekend recht, als een persoonlijke verdienste. Als er gevaren en bedreiging opdoemden, dan voelden we dat als onrecht dat ons werd aangedaan. En soms is er ook een schuldige aan te wijzen – iemand die ons de kans op leven ontneemt. Maar hoort God ook bij die schuldigen?
Is hij schuldig aan het leed dat ons treft? ‘Als er een God is, waarom dan is er zoveel lijden in onze wereld?’, klinkt er dan. Tast hij ons bestaans-recht aan door ziektes, rampen, onheil? Die vraag…

Of moet je zeggen: welk bestaansrecht? Waar hebben we het eigenlijk over? ‘We hebben gisteren een kind gekregen’ hoor ik een nieuwbakken vader in de lift tegen iemand anders zeggen. Gekregen. Ik zelf kan het niet anders zien dan dat het hele bestaan een gave is. Maar het is een gave met grenzen. Het kindje lag in de couveuse, nog niet van zorgen vrij. Des te meer reden om heel voorzichtig om te gaan met dat geschonken leventje. Vanaf de eerste dag is het een gave met beperkingen. En, hoe pijnlijk ook: vanaf de eerste dag weten we:
de gave is tijdelijk.

Iemand zei eens: ‘Het leven is een soort leen-cadeautje’. Dat vond ik mooi gevonden: een leen-cadeautje. Een leen-cadeautje van God die Liefde is, en die die liefde niet voor zichzelf kon houden: die God heeft ons dit leven geschonken in de hoop dat we het in liefde zouden delen. Als dat zo is, dan hoef je hopelijk niet zo bang te zijn voor de dreigingen en gevaren die onvermijdelijk op ons loeren. Als we uit Gods liefde voortkomen, weet dan: we mogen er zijn! Niet móeten maar mógen. Hij heeft ons voor alles liefgehad. Dat is de uiteindelijke grond waarop we staan. Dat is iets om ‘wel even’ bij stil te staan. Jazeker, juist ook als we tegen de grenzen van ons bestaan oplopen. Want het is de voedings-bodem van onze hoop en ons vertrouwen. Gods liefde. Het is de grond van ons bestaan.

Amen

Reactie ( 1 )

  1. Beantwoorden
    Henk Fonteyn says:

    Bij voorbereiding van viering rond bovengenoemde evangelielezing stuitte ik op uw overdenking. Dank daarvoor. Ik zal ‘m niet zonder meer naspreken, maar het heeft me enorm geinspireerd in mijn eigen voorbereiding! Los van het feit dat het me ook persoonlijk aanspreekt! Dank!

Plaats een reactie