prof.dr. Eric Cossee: ‘DOOR CHRISTUS BEMOEDIGD’, n.a.v. Filippenzen 2: 1, 2

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst, 14 september 2016  *

Voorganger: prof. dr. Eric Cossee, Rotterdam

DOOR CHRISTUS BEMOEDIGD n.a.v. Filippenzen 2: 1, 2

Nu u door Christus zozeer bemoedigd wordt en liefdevol getroost, nu er onder u zo’n grote verbondenheid met de Geest is, zo veel ontferming en medelijden, maak mij dan volmaakt gelukkig door eensgezind te zijn, één in liefde, één in streven, één van geest. (Filipp. 2: 1,2).

Wij mensen zijn telkens weer op zoek naar levensmoed: ‘moed om te aanvaarden wat het leven biedt en brengt’ (Van Dale). Talloos zijn de factoren die ons kunnen ontmoedigen, of zij nu van binnenuit komen, dan wel dat zij ons bedreigen van buitenaf. De Bijbel schenkt daar veel aandacht aan, met name aan onze innerlijke onrust. Denk bijv. aan de bekende woorden uit Psalm 42: ‘Hart onrustig, vol van zorgen, vleugellam geslagen ziel. / Hoop op God en wees geborgen, Hij verheft wie nederviel’. Het antwoord op innerlijke onrust is hier: Godsvertrouwen. Maar ook als de dreiging van buitenaf komt en Israël steun zoekt bij een machtige bondgenoot, dan is het de profeet Jesaja die het volk de bron aanwijst van bemoediging: ‘In rust en inkeer ligt jullie redding, in geduld en vertrouwen ligt jullie kracht’. (Jesaja 30:15).
Het lijkt voor de hand liggend om in tijden van twijfel of sterker nog: existentiële nood, te verwijzen naar Bijbelteksten die getuigen van rust en inkeer, geduld en vertrouwen. Maar het tegendeel is waar: deze teksten staan juist dan verre van ons af als angst ons in de greep heeft of ontreddering ons deel is. Bemoedigende woorden kunnen, hoe goed bedoeld ook, soms alleen maar gevoelens van onmacht en vertwijfeling versterken, omdat zij ons herinneren aan datgene wat wij zijn kwijtgeraakt of dreigen te verliezen. De psalmen vertolken in de Bijbel de menselijke stem. Zij brengen onder woorden hoe ver een mens kan komen als hem of haar de vertrouwensbasis is ontzonken.
Denk aan de woorden van Psalm 77:
Luid roep ik God, ik schreeuw het uit, / luid roep ik God – dat hij mij hoort. / Op de dag van mijn nood zoek ik de Heer, / bij nacht hef ik mijn handen, rusteloos. / mijn ziel laat zich niet troosten. / Ik denk aan God en moet zuchten, mijn gedachten vermoeien mijn geest’.
Hier is iemand aan het woord, die weet heeft wat het geloof voor een mens kan betekenen, maar die dat zelf niet meer kan beamen. Hij denkt aan de dagen van vroeger, aan de lofzang bij snarenspel, aan Gods grote daden en zijn wondere werken. Het is alsof dit alles voor hem zijn kracht heeft verloren, de bemoedigende werking van dit alles lijkt voorbij te zijn. Maar juist nu hij dit alles heeft geüit, komt er een kentering. Uw weg, God, is een heilige weg – welke god is zo groot als onze God?

Juist het besef van Gods grootheid kan een keerpunt in ons leven vormen. Wij gaan inzien dat het leed dat mensen treft niet samenvalt met de volle omvang van de werkelijkheid waarin wij leven, maar dat er Meer is. Een meerwaarde die door Willem Barnard onnavolgbaar is verwoord in de dichtregels: Gods goedheid is te groot / voor het geluk alleen, / zij gaat in alle nood / door heel het leven heen’ (Lied 650). Het is juist dat besef van een Grotere Werkelijkheid, die lijden en nood omvat houdt, dat bemoedigend op ons kan inwerken. Ook onze angst en pijn zijn in dat Geheel opgenomen. Zij hebben daarin niet het laatste woord. Als wij ons zinvol opgenomen mogen weten in dat onuitputtelijke levensverband, kan ons ‘de moed om te zijn’ ten deel vallen.

Het is Paul Tillich geweest, één van de grootste theologen van de twintigste eeuw, die in zijn werk The courage to be (1952) een menselijke dimensie gaf aan het godsdienstige perspectief op de grote levensvragen. Hij heeft daarin uiteen gezet, dat de moed om te zijn van ons vraagt, om onze angst op zich te nemen. Wie zich vruchteloos verzet tegen allerlei angsten of daarvoor op de loop gaat, versterkt daardoor alleen maar gevoelens van machteloosheid en afhankelijkheid. Maar wie in zichzelf de moed handhaaft om de angst in zich op te nemen als een onontkoombaar deel van deze werkelijkheid, vindt ‘de moed om te zijn’. Volgens Tillich kan alleen de Kerk de bemiddelaarster zijn van een moed die twijfel en zinloosheid in zichzelf opneemt.

Dit is de Kerk die de gekruisigde Christus predikt die tot God riep, die zijn God bleef nadat de God van het vertrouwen hem in de nacht van twijfel en zinloosheid had achtergelaten. Deel van een dergelijke Kerk te zijn, aldus Tillich, betekent het ontvangen van een moed om te zijn waarin men zichzelf niet kan verliezen en waarin men zijn wereld terugkrijgt. Het gaat Tillich om de ‘God boven God’. De God die boven onze voorstellingswereld uitrijst, die er niet is om onze wensen te beantwoorden of om ons allerlei ongemakken te besparen. Het is de God die in Christus aan lijden niet het laatste woord geeft, maar die in alle nood door heel het leven heengaat. Wie beseft dat juist in kruis en lijden een goddelijke ontferming ons nabij is, ontvangt de moed om te zijn.

Als wij op zoek zijn naar levensmoed, een moed om te aanvaarden wat het leven biedt en brengt, dan gaat het niet om triomfen of heldendaden. Levensmoed heeft meer met ootmoed, deemoed, besef van eigen geringheid te maken. Wie zijn wij als fractie van het Oneindig Grote Geheel dat wij deze werkelijkheid naar onze hand zouden kunnen zetten? Het getuigt van levenskunst en levensmoed als wij ook de macht van het kleine leren inzien. Als wij na een catastrofale gebeurtenis, die ons hele leven op zijn kop zette, weer een eerste stap durven wagen op de weg die voor ons ligt. Het is de dichteres Jacqueline van der Waals geweest, die in een precaire levenssituatie die levensmoed heeft vertolkt: ‘Leer mij volgen zonder vragen; / Vader, wat Gij doet is goed! / Leer mij slechts het heden dragen / met een rustig, kalme moed’. (Lied 913 vers 1 slot).

Amen.