prof.dr. Eric Cossee: ‘gesprekken onderweg’, n.a.v. Lucas 24: 13-17

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst, 30 maart 2016  *

Voorganger: prof. dr. Eric Cossee, Rotterdam

GESPREKKEN ONDERWEG

En zie, twee van hen waren juist op die dag op weg naar een dorp, zestig stadiën van Jeruzalem verwijderd, genaamd Emmaüs, en zij spraken over al wat voorgevallen was. En het geschiedde, terwijl zij daarover spraken en van gedachten wisselden, dat Jezus zelf bij hen kwam en met hen meeging. Maar hun ogen waren bevangen, zodat zij hem niet herkenden. Hij zei tot hen: “Wat zijn dit voor gesprekken die gij al wandelende met elkander voert?” En zij bleven met somber gelaat staan.
(Lucas 24: 13-17, vertaling NBG 1951).

Het verhaal van de Emmaüsgangers roept nostalgische gevoelens bij mij op. Waar is de tijd gebleven dat wij afstanden aanduidden in ‘uren gaans’? De tijd dat de meeste mensen ergens konden aankomen dan alleen te voet, ligt ver achter ons. Wij verplaatsen ons bij wijze van spreken sneller dan het geluid, en soms is dat ook letterlijk zo. Bij al die adembenemende snelheid van beweging raken we één ding kwijt: het besef van onderweg zijn, het opnemen van de omgeving die je doorkruist, het verwerken van indrukken die je opdoet. Mensen worden tegenwoordig als door grote grijparmen van het ene werelddeel naar het andere verplaatst, zonder de gebieden te leren kennen die op deze wijze worden overbrugd.

Daarbij komt dat de moderne communicatiemiddelen contacten onderweg tot een minimum reduceren. Het is mij al meer dan eens overkomen dat ik twee wandelaars zwijgend naast elkaar zag voortgaan, elk met strakke blik gericht op de eigen smartphone, waar kennelijk de onmisbare communicatie en informatie van werd verwacht. Of dat ik bij een tramhalte kwam, waar hele rijen mensen op hun schermpjes stonden te staren, zonder enig teken van herkenning met hun omgeving. Je voelt je dan zonder die media een eenling, verdwaald in de technologische verworvenheden van deze tijd.

Nu is nostalgie een slechte raadgever, maar soms kan het verlangen naar een tijd die achter ons ligt ons tot wezenlijke dingen terugvoeren die wij met onze haastige levensstijl zijn kwijtgeraakt. Het verhaal van de Emmaüsgangers laat ons zien dat wandelen niet alleen een zaak van je verplaatsen is of een reisdoel willen bereiken, maar vooral dat het samen onderweg zijn een mogelijkheid biedt tot onderling gesprek of het komen tot een bijzondere ontmoeting. En dit heeft niets meer met nostalgie te maken, maar met het bewust beleven van de volle realiteit in het hier en nu.

De twee mannen naar wie dit verhaal vernoemd is, waren leerlingen van Jezus. Alleen Kléopas wordt met name genoemd, de andere blijft anoniem. We weten niet waarom ze naar Emmaüs op weg zijn. Van het plaatsje zelf weten wij dat het ruim twee uren gaans van Jeruzalem verwijderd ligt, maar niet precies in welke richting. Er ligt een geheimzinnig waas over dit verhaal, maar het geeft ook duidelijke aanknopingspunten. Door de eeuwen heen heeft het tot de verbeelding van mensen gesproken. Het is niet alleen een mooie illustratie van de weg van de mens, maar het geeft ook aan dat ontmoeting en gesprek tot de meest wezenlijke elementen van ons bestaan behoren.
En waar kan dit beter tot zijn recht komen dan tijdens een wandeling? Vanouds werd wijsgerig onderricht tijdens een wandeling gegeven. De grote wijsgeer Aristoteles zou zijn bijnaam ‘Wandelaar’ te danken hebben aan het feit dat hij al wandelend onderwees. Zo heeft ook Rafaël de klassieke filosofen geportretteerd in zijn beroemde schilderij ‘School van Athene’ (te zien in het Vaticaans Museum): rechtop, met vaste tred en de wijsvinger omhoog. Het Griekse werkwoord voor wandelen, ‘peripatein’ betekent ook ‘converseren’, ‘al wandelend een gesprek voeren’.

Het is juist dit werkwoord ‘peripatein’, dat een centrale plaats inneemt in ons tekstwoord: ‘Wat zijn dit voor gesprekken, die gij al wandelende met elkaar voert?’ (Lucas 24: 17). Woorden van de onbekende metgezel, die zich bij de beide Emmaüsgangers heeft gevoegd. Hun gesprekken cirkelden almaar om hetzelfde: de ontzetting over Jezus’ kruisdood en de ontsteltenis over het lege graf. De onvoorstelbare afwezigheid van hun Heer veroorzaakte een diepe verontrusting bij zijn leerlingen; hun gesprekken kwamen niet verder dan verwarring en verlegenheid.
Op de vraag van de vreemdeling hadden zij geen antwoord, ‘en zij bleven met somber gelaat staan’.
Nadat zij hun relaas hadden gedaan over de schokkende gebeurtenissen in Jeruzalem, krijgen de beide mannen van hem tekst en uitleg over het getuigenis van de profeten. “Moest de Christus dit niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan?”

Nog herkennen zij in de onbekende niet de opgestane Jezus, en bij het naderen van het dorp van bestemming deed hij alsof hij verder wilde gaan. Maar de mannen drongen sterk bij hem aan en zeiden: ‘Blijf bij ons, want het is tegen de avond en de dag is reeds gedaald’. Toen Jezus dan bij hen bleef en met hen aanlag, het brood nam, de zegen uitsprak, het brak en het hun toereikte, kwam het grote ogenblik van de herkenning. Maar juist toen verdween hij uit hun midden.

Zo gaat het met ontmoetingen onderweg. Wij zouden ze willen vasthouden als een kostbaar geschenk. Maar mensen gaan voorbij. God gaat Zijn weg met een ieder van ons. Soms kunnen die wegen elkaar kruisen, soms trekken we een eind weegs met elkaar op, maar dan weer gaat Hij met ieder van ons verder. Wij kunnen elkaar niet blijven vasthouden. Wij moeten de weg gaan die Jezus ging. Een weg die nog veel verder omhoog voert dan een wandeling naar Emmaüs. In het Johannes-evangelie spreekt Jezus tot Maria Magdalena, als zij haar Heer herkent: “Houd mij niet vast … Ik stijg op naar mijn God en uw God”.

De gesprekken onderweg geven herkenning en verbondenheid. Maar zij willen ons ook voorbereiden op het afscheid. Zij willen ons leren leven met open handen. Open om te ontvangen, maar ook open om weer los te laten. Intussen kunnen de ontmoetingen en gesprekken onderweg zo intens zijn, dat wij ze blijvend met ons meedragen. Toen Jezus uit hun midden verdwenen was zeiden de Emmaüsgangers tot elkaar: “Was ons hart niet brandende in ons, terwijl Hij onderweg tot ons sprak en ons de Schriften opende?”
Ja, Gemeente, een brandend hart voor de woorden van de Heer, daar gaat het om!
‘Wij branden van verlangen, tot alles is voltooid’. (Huub Oosterhuis).

Amen.

Plaats een reactie