prof.dr. Eric Cossee (Rotterdam): ‘Schade lijden aan de ziel’, n.a.v. Marcus 8: 36

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 2 mei 2018  *

Prof Dr Eric Cossee (Rotterdam)

Schade lijden aan de ziel’ n.a.v. Marcus 8: 36

‘Schade lijden aan de ziel?’ n.a.v. Marcus 8: 36 (vertaling NBG)

Wat baat het een mens de gehele wereld te winnen en aan zijn ziel schade te lijden?’

Het was dezer dagen op het nieuws: in het Groningse aardbevingsgebied moeten niet alleen vergoedingsregelingen komen voor de waardevermindering van huizen, maar er moet ook financiële compensatie worden uitbetaald voor geleden psychische schade. Bij dat laatste spitste ik mijn oren: is schade lijden aan de ziel een stelpost geworden op de begroting van het verrekenen van de financiële consequenties voor de gedupeerden van de aardgaswinning? Hoe kan men de hoogte van de geleden psychische schade bepalen? Wat baat het een mens om geld te ontvangen voor aangedaan leed, dat zich ten enenmale in het immateriële vlak voltrekt? Of geeft deze regeling aan dat wij niet concreet genoeg kunnen denken over hoe psychische factoren ons leven bepalen, ten goede of ten kwade?

Ja, schade lijden aan de ziel is een realiteit waarmee wij te maken kunnen krijgen of wij nu wonen in een aardbevingsgebied of wanneer schokken van geheel andere aard ons leven op zijn kop zetten. Ieder mens loopt in haar of zijn leven ongewild en soms ook door eigen toedoen psychische schade op. Gelukkig bestaat de mogelijkheid dat mensen door eigen veerkracht er weer bovenop komen. Uiterlijke successen helpen ons om zoveel mogelijk compensatie te vinden voor geleden schade. Maar worden wij daar innerlijk door gesterkt?

Jezus, de zielenherder bij uitstek, wijst ons als geen ander op de noodzaak van herstel van binnen-uit.

Wij bepalen ons vandaag bij zijn woord uit het Marcus-evangelie: ‘Want wat baat het een mens de gehele wereld te winnen en aan zijn ziel schade te lijden?‘ In nieuwe vertalingen wordt het anders gezegd: ‘Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar er het leven bij inschiet?’ Dat lijkt een heel verschil, maar het Griekse woord ‘psuchè‘ (Ψυχη) dat in ons tekstwoord met ‘ziel’ is vertaald, kan ook ‘leven’ of ‘levensadem’ betekenen. Naar bijbels besef zijn ‘leven, levensadem’ en ‘ziel’ nauw aan elkaar verwant.

In het spraakgebruik van religie en psychotherapie worden woorden als ‘ziel’ en ‘psyche’ soms door en voor elkaar gebruikt. De tijd ligt nog niet zo heel ver achter ons, dat een psychiater werd aangeduid als een ‘arts voor zenuw- en zielsziekten’. Een pastor werd een ‘zielenherder’ genoemd en het pastoraat ‘zielzorg’. Het woord ‘ziel’ kent in ons dagelijkse spraakgebruik nog steeds vele uiteenlopende betekenissen, variërend van de ‘ziel van een fles’ tot ‘iemand op zijn ziel geven’. Woorden als ‘zielsveel’ of ‘zielsgraag’ geven nog altijd een verhoogde mate van intensiteit aan, waarmee wij van mensen, dieren of dingen kunnen houden.

In  al deze woorden en uitdrukkingen gaat het om datgene wat in ons leven van kernachtige betekenis is. Als je tot de ziel van iets of iemand weet door te dringen, raak je tot de kern van iets of iemands bestaan. Wetenschappelijk valt het bestaan van deze kern niet aan te tonen noch te bewijzen. Maar dat deze bestaat, daar gaan wij nog altijd van uit. Daarvan getuigen niet alleen de vele zegswijzen, maar ook recente projecten zoals het prachtige programma van TV-presentator Coen Verbraak ‘Kijken in de ziel ‘, waarin hij met prominenten spreekt over de gewetensvragen in hun vakgebied en hun persoonlijke betrokkenheid daarbij.

We kunnen eigenlijk niet anders dan in beelden spreken over het bestaan van de ziel.  Met name in de Griekse Oudheid is daar veel over te vinden. Dit staat mij het dichtste bij omdat ik daar vroeger op school veel over heb gehoord en ik pas later de waarde en betekenis van die beelden stukje bij beetje ben gaan ontdekken. Homerus lokaliseert de ziel in het middenrif (de ‘phrenes’) (φρην) als zetel van de levensadem, de wilskracht en het verstand. Plato onderscheidt drie aspecten van de menselijke ziel, die hij vergelijkt met een wagenmenner achter een tweespan. De menner is het redenerende en kennende deel van de ziel, het verstand. Het nobele paard staat voor passie, wil en doorzettingsvermogen. Het weerspannige paard staat voor trek, lust en driftleven. De wagenmenner moet de hele zaak op koers en in het gareel zien te houden.

Tegen deze beeldspraak leggen allerlei diepzinnige bespiegelingen het voor mij helemaal af.

Persoonlijk heb ik weinig behoefte om mij in allerlei speculaties te begeven over voortbestaan van de ziel na dit leven of over zielsverhuizing. De Bijbel is er in ieder geval niet eensluidend over. Ik heb vooral te maken met het leven van de wieg tot het graf. En daar heb ik mijn handen meer dan vol aan! Als wagenmenner van mijn eigen tweespan kost het mij soms bergen energie om de zaak in goede banen te leiden. De tweespalt waarover Paulus schreef (Niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dát doe ik) dreigt mijn tweespan te doen stranden en het kost mij soms de grootste moeite mijn evenwicht te hervinden.

Ja, we kunnen ons nog zoveel heen en weer laten trekken door gemoedsbewegingen van allerlei aard, we kunnen ons nog zozeer laten meeslepen door ambities van een ‘hoger’ niveau, maar ‘wat baat het een mens de gehele wereld te winnen en aan zijn ziel schade te lijden?’ De diepste voldoening vinden wij niet door het weerspannige paard te blijven volgen, noch door ons steeds op sleeptouw te laten nemen door onze strevingen en ambities. Denken wij eens door over het woord van Thomas à Kempis: ‘Wat gij zijt dat zijt gij, en niets kan u groter maken dan wat gij in Gods ogen zijt ‘. Het oog des Heren beschouwt ons naar onze ware aard: als een mens die haakt naar liefde en bevestiging.

God kent ons tot in de diepten van de ziel. Door zijn liefde mogen ontdekken dat op de bodem van ons hart, in de diepten van onze ziel krachten sluimeren die gewekt willen worden door ons geloof, ons fundamentele vertrouwen in de goedheid van dit bestaan. Die krachten te putten uit de diepten van onze ziel is de taak van de zielzorg, het pastoraat, het zielenherder zijn. Pas dat raakt ons leven in de kern. Volgen wij daarom de raad van Ida Gerhardt in haar gedicht ‘Kwade dagen’ waar zij zegt: 

Ga niet naar anderen als dat leed u slaat
dat een mens kromt, of als een wig u splijt;
ga niet naar anderen: raak uw kracht niet kwijt,
die harde kern waarmee ge het bestaat.
Zoek het bij een goede vriend, u toegewijd,
een die u niets verwijt, niets vraagt, niets raadt,
maar u verdraagt met uw beschreid gelaat.
Die, zelf zwijgzaam, u kent voor wie gij zijt,
en merkt dat het, nog bevend, berg-op gaat.

Amen

 

Reactie ( 1 )

  1. Beantwoorden
    Anneke Knegtmans says:

    Ik woon en leef in Nieuw Zeeland sinds 1983. Mijn man stierf in 2015. Hij was geboren en getogen in Rotterdam Noord. Wij zijn beiden opgegroeid in de Gereformeerde Kerk. Toen hij stierf, heb ik het heel moeilijk gehad.
    Het duurde ongeveer 2 en een half tot 3 jaar om mijzelf te hervinden.
    Het is nu 5 jaar geleden dat hij stierf. Ik woon alleen en ik mag wel zeggen: comfortabel. Toch worstel ik nog vaak met het verlies van mijn man na een goed huwelijk van 45 jaar. (ik denk dat dit nooit over gaat) Ik vind veel troost in wat U zegt over het verlies van Uw zoon. Met name wil ik U danken voor de zegen die U uitsprak.

Plaats een reactie