prof.dr. Gerard den Hertog (Apeldoorn): “Glorie uit de mond van kinderen”, n.a.v. Psalm 8: 3a

* Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 25 juli 2018 *

Prof.Dr. Gerard den Hertog (Apeldoorn)

Glorie uit de mond van kinderen“, n.a.v. Psalm 8: 3a

Psalm 8 past wel een beetje bij deze tijd van het jaar, en vooral bij de weers­omstandigheden van de laatste tijd. We zitten veel buiten, en als het verder om ons heen vrij donker is en de hemel helder, dan zien we een overweldigend aantal sterren.
Met het warme weer gaan we ook graag het water op, dan krijgen we vanzelf iets mee van wat allemaal daar onder ons leeft, of we zien het zelf, als we snorkelen.
Als je dan een geheide kerkganger bent, kan zomaar Psalm 8 naar boven komen: een loflied op God de Schepper, die dit allemaal geschapen heeft.

Als we dat loflied willen vasthouden, kunnen we maar beter niet al te diep nadenken. Want het heelal is onmetelijk groot, met andere melkwegstelsels op duizenden licht­jaren afstand, niet echt een plek om je thuis te voelen. Het is onherbergzaam en zelfs soms bedreigend. Toen vorige eeuw de vrouw van de hervormde hoogleraar G.C. van Niftrik overleed, schreef hij twee boeken: Waar is de hemel?, en: Waar zijn onze doden?. Dat waren zijn eigen vragen en hij heeft anderen met die boeken proberen te helpen.
Bij het heelal kunnen we ons trouwens nauwelijks meer iets voorstellen, wie ernaar vraagt krijgt computermodellen voorgeschoteld. De grote geleerde Pascal zei een paar eeuwen geleden al dat die oneindige ruimte van het heelal hem bang maakte.

Psalm 8 heeft het ook over ‘wat de paden van de zeeën doorkruist’; dat is prachtige dichterlijke taal voor een wondere wereld die zich vrijwel helemaal aan ons blote oog onttrekt. Vandaag weten we van nog maar kort geleden ontdekte tientallen nieuwe vissoorten die op kilometers diepte in de oceanen leven. Maar we weten óók van stervende koralen en van een gigantische ‘plastic soep’, die de zeeën vervuilt…

Zegt Psalm 8 ook iets over de mens? Jazeker, we lezen dat de mens tot grote hoogte reikt, bijna god, nauwelijks minder dan de engelen. En dat God ons mensen doet heersen over de werken van zijn handen en alles aan onze voeten legt.
Pascal had het over de ‘grandeur’ van de mens, de grootsheid van geest die je wel bij mensen aantreft. Die is er ontegenzeggelijk. Denk maar aan wetenschap, liefde, muziek, beeldende kunst…
Maar Pascal zette er het woord ‘misère’ tegenover. De mens laat ook een ont­luisterend beeld zien. Vraag het de dieren eens wat we er als mensen van gemaakt hebben, vraag het de natuur … Waar is dat plan van God om ons mensen zo’n hoge positie te geven op uitgelopen? Wat brengen we van onze opdracht terecht?!
We zijn inmiddels opgehouden met zingen… De lust ertoe is ons inmiddels wel vergaan…

Of wacht, Psalm 8 zegt nóg iets over de mens. Er is misschien één uitzondering, waar we geen vragen hebben, en alleen maar oh en ah roepen, en zelfs spontaan gaan zingen. Denk aan een pas geboren baby, of aan een dreumes van anderhalf die zijn of haar eerste stapjes doet en zo kan vertederen. Misschien is dat wel het enige on­gerepte dat er echt is… Waar je van kunt genieten zonder vervelende bijgedachten. Waarvoor je God kunt loven.
Op geboortekaartjes valt nog wel eens te lezen: ‘Uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt U, God, Uzelf lof bereid.’ En dan staat er wel onder: Psalm 8.
Maar het is niet Psalm 8, het is wat Jezus zegt over het zingen van kinderen…

Nee, in Psalm 8 zelf volgt iets heel merkwaardigs, namelijk dat de Here ‘uit de mond van kinderen en zuigelingen sterkte grondvest’. Daar staat dus niet: ‘luister vooral eens naar de kreetjes van een kind, hoe groot de opluchting is als een pas geboren baby een eerste levensteken geeft door te huilen.’ Of: ‘Luister eens naar het gekeuvel van zo’n kind in de wieg …’.
Nee, daar staat dat de Here uit die kreetjes van kleine kinderen een ‘sterkte’, dat is: een bolwerk, grondvest. Een bolwerk, dat is een militaire term. Dan zou je kunnen denken aan forten die in de Hollandse Waterlinie om de randstad heen liggen. On­neembare vestingen. God heeft bolwerken gegrondvest, dat is: vast in de aarde ge­plant. Het is zijn strategie, om de vijanden te doen verstommen.
Wat moeten we ons daarbij denken? Immers, wat is er zwakker dan kinderen en zuigelingen? Als er oorlogsgeweld losbarst, zijn zij het die op de vlucht als eersten bezwijken! We kennen de foto van de kleine Aylan Kurdi, drie jaar oud, gevlucht uit Syrië, voorover op het strand, alsof hij sliep… Het beeld staat onuitwisbaar op ons netvlies. Het gaat ons door merg en been.
Kinderen kunnen zichzelf op geen enkele manier redden. Ze schreeuwen om voedsel, om liefde, om bescherming, om zorg! In deze warme weken zijn er al weer een paar van die kleine mensjes levenloos uit het water gehaald… Even uit het oog verloren…
Hoe kan God nu uit het zwakke een sterkte bouwen? Waar wil Hij naartoe?

Nu ja, er is in deze wereld wel wat aan de hand. Er moet wel iets aan gebeuren. Er roepen heel veel mensen van alles en nog wat. We hebben aan macho’s even geen gebrek op het wereldtoneel. Maar ze maken vooral stuk, ze brengen geen recht.
En die mensen komen we dichtbij ook tegen. Zelfs in ons eigen hart en leven.
Waar moet je beginnen als je het anders wilt hebben?!
God pakt het aan door een bolwerk in de aarde te planten. Het is zijn uitvalsbasis vanwaar Hij zijn reddingswerk begint. Waar? In een kind. Heel bepaald: in Jezus, ge­boren als wij. Een kind in de kribbe, meteen al bedreigd door Herodes, op de vlucht als Aylan Kurdi, maar een kind dat een missie heeft: het lek dichten, de zonde van de wereld wegdragen.

Maar wat zegt dat van de kreetjes van baby’s en het zingen van kleine kinderen, verdiept in hun spel? Nu, dat mag ons eraan herinneren dat God niet de weg van het geweld gaat, van de dreiging, van brute machtsuitoefening, maar de weg van Christus. Het lijkt zwak. Maar God heeft ons geweld niet nodig. Het zou ook niet helpen.

We zien nog niet veel van de grootheid van de mens, zoals Psalm 8 erover spreekt, zegt de schrijver van de Brief aan de Hebreeën tegen zijn gemeente. ‘Nee,’ hoor je zijn hoorders denken, ‘wat u zegt!’. Máár – vervolgt hij – ‘wij zien wel Jezus, met eer en heerlijkheid gekroond’.
Daarom is een kind in je armen niet maar een mooi en lief klein wezentje, bij wie je de vraag moet wegduwen wat er van hem of haar zal worden… Een kind in je armen, hoor de geluidjes, het is een teken. De God die de zon en de maan en de sterren heeft gemaakt, en de diepten van de zee, de dieren op het veld, de vogels in de licht en de vissen, Hij toont zijn allergrootste grootheid daarin dat Hij de wereld redt en behoudt in de weerloosheid en kwetsbaarheid van een mens die geweldloos zijn weg gaat.
Het is de weg van Gods liefde. De weg waarin Hij ons zoekt en dan ook …. leert zingen. De lof van Gods goedheid.

Als dit het geheim van Gods grootheid is, dan is het heelal misschien toch niet zo onherbergzaam, dan mogen we ons door de sterren en het zand van de zee laten herinneren aan Gods belofte aan Abraham: ‘Met jou zullen alle volken van de aarde gezegend worden.’ En beginnen we spontaan de lof te zingen van die God, wiens Naam – dat is: zoals Hij zich in een weerloos kind laat kennen en vinden – machtig is over heel de aarde.

 

Plaats een reactie