prof.dr. Gerard den Hertog: ‘Niet het vele is goed, maar het goede is veel’ n.a.v. Marcus 12: 41-44

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 22 maart 2017  *

Voorganger: prof.dr. Gerard den Hertog, Apeldoorn

‘Niet het vele is goed, maar het goede is veel’
n.a.v. Marcus 12: 41-44

In deze tijd vóór Pasen lezen we vooral uit de Evangeliën. Je zou de Evangeliën kunnen vergelijken met een rivier, die in het begin rustig voort lijkt te kabbelen: we lezen van Jezus die rondtrekt, mensen liefheeft en geneest en in hun midden staat. Dat zou zo nog een hele tijd kunnen doorgaan, lijkt het.
Maar dan – eerst nauwelijks merkbaar – komt er vaart in. En het gaat steeds harder. Er is geen houden meer aan. Je komt in de buurt van een stroomversnelling, een waterval. In het geval van het evangelie – een peilloos diepe afgrond. Het kruis.

Hier in Markus 12 is het al dichtbij. Des te meer valt dan op dat Jezus hier rustig gaat zitten bij het offerblok in de tempel. Hij neemt er duidelijk de tijd voor. Het is daar een komen en gaan van mensen die iets afstaan voor de allerlei doeleinden die met de tempel te maken hebben. Zoals altijd, kan de een wat meer missen dan de ander. Sommigen zullen het geven, omdat ze iets moois hebben meegemaakt en dankbaarheid willen uitdrukken, anderen doen het vanuit een besef dat je je geld niet voor jezelf hebt.
En ja, er zijn óók echt rijke mensen – en die geven ook veel. Daar heb je wat aan, dat tikt aan, daar kunnen ze wat mee voor het onderhoud van de tempel, of voor sociaal werk dat vanuit de tempel gedaan wordt.

Tot zo ver een bekend beeld. Maar dan ziet Jezus een weduwe komen. Weduwe – dat betekende toen: je hebt je leven gehad. Op z’n best kun je terugkijken op een mooie tijd, op liefde, vreugde in elkaar, en vooruit, misschien ook: ontvangsten, etentjes, uitgaan. Hoe dan ook – het is voorbij.
Weduwe – niemand zag je toen staan: als je geen man hebt om voor je op te komen, sta je er echt alleen voor. Het is hard, maar het is niet anders.
Je leeft – nou ja, leeft? Je ademt! Maar voor de rest sta je buiten het leven. Je bent helemaal op jezelf teruggeworpen.
Twee muntjes heeft deze weduwe. Dat is haar hele, schamele bezit. Samen een kwadrans, de kleinste munteenheid van toen.
Twee muntjes, twee keer niks dus. En dát gooit ze in de offerkist.
Dan roept Jezus zijn leerlingen erbij. ‘Moeten jullie nu eens zien! Haar hele levensonderhoud!’

In dit evangelie zijn we eerder iemand tegengekomen die een vrijwel compleet contrast met haar vormt. Hij is om te beginnen een man, en hij heeft – wat wij vandaag zouden noemen –
de ideale combinatie te pakken: hij is jong en rijk tegelijk. Met een gouden lepel in z’n mond geboren. Daar kan eigenlijk niets misgaan. Nu ja, ziek worden.
Maar bij deze jongeman niets van dat alles, geen vuiltje aan de lucht. Alleen – er zit hem iets dwars. Hij heeft het gevoel dat hij wel alles heeft, maar het meest wezenlijke mist. Wat dat is kunnen we opmaken uit zijn vraag aan Jezus: ‘wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?’ Hij wil weten hoe dat eeuwige leven hem ten deel valt, wanneer kun je daar zeker van zijn? Hij wil het beërven – dat is: dat je nu al weet dat het van jou is, dat het jou rechtens toekomt.

‘Nu’, zegt Jezus, ‘doe de geboden’. Maar die doet hij, van jongs af aan, zonder mankeren. ‘Eén ding nog’, zegt Jezus, ‘verkoop alles wat je hebt en geef het aan de armen, en kom hier, neem het kruis op en volg Mij.’
Dat kan hij niet opbrengen. Hij wil echt, eeuwig leven, maar als dat echte leven ligt in loslaten wat je hebt, in niet langer rond jouzelf, jouw welbevinden, jouw verlangen naar eindeloze verlenging van je leven cirkelen, maar die armen naast je zien – dan is dat teveel gevraagd.

Die mannen toch. Vorige week hoorde ik een radioprogramma, waarin Suzanne Bosman iemand doorzaagde over de vraag, waarom zo weinig vrouwen topsalarissen verdienden. Nu, dat lag eraan dat het voor mannen veel belangrijker is, het is hun identiteit. Je bent wat je verdient. Voor vrouwen zijn mensen belangrijker, daarom onderhandelen ze niet door tot ze helemaal dat topsalaris hebben. Althans, dat was het verhaal.

Hoe dat bij deze man is, ik weet het niet, het staat er niet, maar zijn geld is wel zijn leven. Ja, want kijk maar, hij staat aan het begin, hij heeft het leven vóór zich, zijn bedje is gespreid.
Maar hij kijkt verder dan z’n neus lang is. Hij is al bezig met zijn oudedagsvoorziening en wat daarna komt – nu ja, bij God dan. Zekerheid, dat wil hij. Ook dáár controle over hebben.
Jezus raakt de zenuw als Hij zegt: ‘och, verkoop het even en geef het aan de armen en kom dan bij Mij’. Dat kan hij niet, het is de tak doorzagen waar hij op zit.
Hij gaat weg. Toen die jongeman bij Jezus vandaan liep, zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Kinderen, wat is het moeilijk om het Koninkrijk van God binnen te gaan!’ Die leerlingen zijn het er roerend mee eens en praten er onder elkaar nog even over door: ‘Wie kan er dan nog gered worden?!’

Terug naar de weduwe. Zij staat helemaal aan de andere kant, ze zit haar leven uit aan de onderkant van de samenleving. Althans, dat zou je denken. Wat heeft ze nog van het leven te verwachten?!
‘Kijk eens wat ze doet’, zegt Jezus. ‘Ze geeft niet, nadat ze eerst heeft gerekend wat ze over heeft. Ze kijkt niet eerst: wat heb ik nodig, de vaste lasten moeten eraf, dan houd ik zo en zoveel over, dát kan dan naar het goede doel.
Nee, ze leeft andersom. Ze gaat niet uit van wat ze heeft, om dan te kijken naar wat ze kan missen. Ze begint aan de andere kant. Ze gooit haar hele bezit in die kist – en dáár begint haar leven. Ze weet dat ze alleen God heeft overgehouden in haar leven.
‘Moet je nu eens zien’, zegt Jezus tegen zijn discipelen, ‘ze geeft haar hele levensonderhoud’.

Wat is zekerheid? Hoe krijg je deel aan het eeuwige, echte leven? Als God, als Jezus Christus voor ons niet het extraatje is, bovenop wat we al hebben, – maar álles, heel onze toekomst. Deze weduwe legt haar hele toekomst bij God neer. Omdat ze die van Hem verwacht.

Het echte leven ligt niet ergens ver weg, het ligt vlak vóór ons. Deze vrouw heeft het gevonden, aan die rijke jongeman wijst Jezus de weg. Niet leven uit wat je hebt – en dan Jezus als extra. Nee, eerst en helemaal God, genade, leven, vrede – als je alle zekerheden loslaat en je op God laat terugwerpen. Dat is geloven.

Van die rijke jongeman staat er dat Jezus hem aankeek en lief kreeg. Gelukkig maar. Hij gaat voor hem en ook voor die weduwe de weg naar het kruis. Om te doen wat nodig is. Wat móet gebeuren. Ons vrij maken van dat cirkelen om onszelf. Om ons nu al te doen delen in wat alleen eeuwig leven mag heten.
Amen