Vóór wij wat weten

door Kees van der Vlies

 

Het is niets nieuws te horen of te lezen dat wij “maar mensen”  zijn. Toch schijnen wij dit graag (?) te vergeten, tot op het moment dat we met de neus op de feiten gedrukt worden: een ramp (in de natuur – al dan niet mede door menselijk toedoen), een pandemie, ziekte en overlijden van dierbaren. 

De ‘maakbare’ wereld blijkt telkens weerbarstiger dan ons optimisme of onze utopische perspectieven. Wetenschap en ‘visie’ – ja, je moet vooral ‘visie’ hebben, mits die eis maar niet aan ons gesteld wordt – zijn maatgevend. Daar kun je, gezien de opkomst van popu­lisme, nepnieuws en complottheorieën, misschien nog wel een beetje op afdingen. Maar toch, als je de geschiedenis van de mens bekijkt, is er veel verbeterd of in ieder geval ver­anderd. Vooral tijdens de laatste generaties. 

Ik herinner mij nog dat ik als kind bij bezoek aan mijn opa’s en oma’s, die op het platteland woonden, tot mijn verbazing merkte dat daar geen waterleiding was en wij naar de pomp kon­den lopen, letterlijk! Dat was zelfs ná de oorlog nog zo! En we kunnen nog doorgaan met het oplepelen van veranderingen: radio, televisie, computer, internet, vliegvakanties, kunst­stoffen, vooruitgang in medische en alle andere wetenschappen. Allemaal zaken die ons dagelijks leven hebben beïnvloed. Nu is daar de (be)klemmende aandacht voor milieu en klimaat en andere middelen waarmee wij onszelf vernietigen kunnen, bijgekomen.

De traditionele ‘menselijke maat’ is wel een maatje ruimer geworden en hybris (overmoed, verleiding) dreigt, toch komen wij niet los van ons mens-zijn:  wij zijn geboren en zullen sterven. Ieder weet van lief en leed.

De mens beseft zijn beperkingen niet

Wij zijn ons leven lang gebonden aan tijd en plaats. Je kunt hoog of laag springen, maar daar kun je je niet aan ontworstelen. In dit verband moet opgemerkt worden dat de mo­derne wetenschap tijd en plaats beschouwt als on­losmakelijk met elkaar ver­bonden. Ze vormen één ‘continuüm’. Plaats moet u overigens niet opvat­ten als ‘zitplaats’ of ´woon­plaats’. De aarde is een ´plaats’ die voortdurend in beweging is; zij (de aarde is vrouwelijk!) tolt om haar as, draait rond de zon, beweegt in een melkwegstelsel (en onze zon beweegt vrolijk mee). Daarbij gaat het om snelheden, die wij ons niet kunnen indenken, we merken het niet, toch is een paar honderdduizend kilometer per uur heel ‘gewoon’. En dat stopt niet!

De meeste bewegingen die astronomen in het heelal waarnemen, zijn sterrenstelsels en ‘sterrenwolken’ of ‘nevels’ die zich met enorme snelheden van ons verwijderen. Dat is sinds het ‘begin’, miljarden jaren geleden al zo. Er zijn slechts een paar honderd sterrenstelsels die zich naar de aarde (ons melkwegstelsel) toe bewegen. De rondtollende Andromeda spiraalnevel – een galaxie van 1 biljoen sterren, 2x zo groot als onze melkweg, op 2,54 miljoen lichtjaar van ons verwijderd – bijv. komt elke seconde vele duizenden kilometers op ons af. Andromeda heeft intussen al andere stelsels opgeslokt. Een sterrenkundige die dit in een lezing naar voren bracht, vertelde van een geschrokken toehoorder. De astronoom had uitgelegd dat, naar recente berekening, Andromeda over ongeveer 6 miljard jaar met onze melkweg in botsing zou komen. De man stond direct op en vroeg met ontsteltenis: “Wat zegt u daar?” De geleerde herhaalde zijn zin: “De berekening is dat de Andromeda-nevel over 6 miljard jaar op ons melkwegstelsel zal botsen.” Opgelucht antwoordde de verschrikte man: “Oh, ik dacht dat u zei: over 6 miljoen jaar.” En hij ging weer zitten.

Op Eerste Kerstdag vorig jaar is een nieuwe telescoop de ruimte in gelanceerd: James Webb. Die blijft op veel grotere afstand van de aarde dan de Hubble-ruimtetelescoop (ge­lanceerd in 1990) sterrenkundige waarnemingen doen. 

Vooral de metingen in het infrarood-spectrum zullen veel duidelijk kunnen maken over het heelal. En ongetwijfeld zullen – als alles goed gaat – wetenschappers nog weer meer hemel­lichamen kunnen ontwaren en hun ontstaan en bewegingen leren kennen. De waarnemings­horizon, zoals dat genoemd wordt, wordt verder verlegd. Het heelal is, zoals u weet, erg groot en wordt elke seconde groter. Moeilijk te bevatten: de ‘leegte’ neemt toe. Maar in die ‘leegte’ is veel materie en energie, ver weg, dat wel.

In dit verband nog even een weetje. U heeft dat wellicht al eens gehoord. Er zijn meer sterren in het heelal dan er zandkorrels zijn op aarde. Dan moeten we echt àlle stran­den en woestijnen meetellen! Ook al zijn natuurlijk geen exacte aantallen bekend. Het is te berekenen.

Plaats en tijd zijn in menselijke maat, vergeleken met het heelal, onbetekenend. Terwijl generaties lang de mens dacht dat de aarde plat en het middelpunt van het heelal was: alles draaide om de aarde en er was een tent boven gespannen (kent u het woord ‘uitspan­sel’ nog?), die door speldeprikjes erin het licht van de hemel liet zien. Wetenschap was in feite een mix van filosofie, poëzie, astrologie, religie en overlevering. Zeker, er waren wel observators en rekenkundigen, maar dat was ‘hobbyisme’ van weinigen. 

Hoe past de Bijbel in de hedendaagse wetenschap?

De Bijbel kòn ook niet anders geschreven zijn dan voor de mensen die toen leefden, en in woorden die in hun wereldbeeld en taal pasten. Het zou als wartaal verworpen zijn – en zeker niet doorverteld – als er de woorden ‘oerknal’, ‘evolutietheorie’, ‘lichtjaar’, ‘planeten’, ‘zwarte gaten’, ‘pulsars’, ‘uitdijing van het heelal’ (sneller dan de lichtsnelheid!), ‘zwaarte­krachtgolven’, ‘waarnemingshorizon’, ‘halveringstijd’, ‘chemische formules’, ‘virussen’, ‘cel­deling’, ‘reproductiegetal’, ‘subatomaire deeltjes’, ‘ioniserende straling’ en nog veel meer wetenschappelijk jargon in de tekst zou staan. De Bijbel is geen wetenschappelijke hand­leiding, want die zou over 10, 50 en 100 jaar alweer achterhaald zijn. 

De tekst van de Bijbel berust op vertellingen in talen die inmiddels al niet meer gesproken worden. Bijbelboeken waren oorspronkelijk stuk voor stuk met de hand geschreven ver­halen, die vertaald zijn. Het gaat niet om reporters, die verslag doen van wat ze hebben waargenomen of van toeschouwers gehoord. De schrijvers hebben zelf nooit de gebeur­tenissen meegemaakt. Pas vele jaren of generaties later is opgetekend van wat zij verno­men hadden: ‘van horen zeggen’, in de gemeenschappen waarin zij verkeerden. Daar is uit­leg en inzicht achteraf bijgekomen. De schrijvers waren ‘geïnspireerd’: door adem ingeblazen. Adem die niet van mensen kwam, maar van een grotere bron, die zij ‘God’ noemden of de ‘Heilige Geest’. (Ook dit zijn weer vertaalde woorden).

Hoe meer ‘we’ weten, hoe meer ‘we’ erachter komen hoeveel wij (nog) niet weten

Toch bevat de Bijbel veel menselijke waarden en relateert die aan alles wat ons begrip te boven gaat. En de Bijbel doet dat in oeroude woorden en begrippen. Gelukkig maar, anders zouden ‘wij’ de eersten zijn, die met onze studies, analyses, experimenten en theorieën de waarheid in pacht hebben gekregen. En komende generaties zouden dan daar weer laat­dunkend over kunnen doen. Want dan weet men ´zoveel meer’ !

De Bijbel komt al duizenden jaren met begrippen als: God (de Eeuwige en Schepper), liefde en de verhouding tussen God en mensen. Daar ligt geen wetenschappelijk onderzoek aan ten grondslag, maar waarden die mensen in hun leven kunnen leren, ervaren en overdragen.

Dat betekent niet dat wij geen vragen zouden mogen stellen, integendeel. Veel blijft ons een raadsel. Veel ook kan ons helpen, als het niet met ‘begrip’ is, dan wel met troost, liefde, levensvervulling en vertrouwen. 

Tegenover God zijn wij op ons kleine planeetje aan de rand van onze Melkweg, nietig, maar niet onbetekenend. God heeft ons van zijn Geest gegeven en heeft daar een bedoeling mee. Welke bedoeling? Daar moeten we achter zien te komen, maar de drijvende kracht is Liefde, en het volle begrip daarvan valt buiten het bereik van mensen. 

God heeft zich ook als mens laten kennen en daarvan is gelukkig veel opgetekend. Het Nieuwe Testament is daar helemaal aan gewijd. 

Daar moeten we het mee doen.

De wetenschap, die zal toenemen, maakt ons (hopelijk) nederig.

Ook liefdevol en dankbaar?